In opdracht van Pouderoyen Compagnons heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau op 4 mei 2009 een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met bouwplannen in de gemeente Zaltbommel. Dit onderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de plannen, de bouw van een kerk en pastorie in Aalst, zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Doel van het bureauonderzoek was het verwerven van informatie over bekende en verwachte archeologische waarden teneinde een gespecificeerde verwachting op te stellen. Doel van het veldonderzoek was het toetsen van die gespecificeerde archeologische verwachting en, indien mogelijk, een eerste indruk geven van de aard, omvang, datering, kwaliteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eventueel aangetroffen archeologische resten. Op basis van de onderzoeksresultaten en de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen is vervolgens een advies geformuleerd met betrekking tot eventueel archeologisch vervolgonderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen (§ 1.3) kan worden geconcludeerd dat bij de realisering van de bouwplannen in het westelijke deel van het plangebied, ter hoogte van de nieuw te bouwen pastorie, mogelijk archeologische waarden zullen worden verstoord. Meer specifiek zijn de volgende bevindingen van belang.Deels in overeenstemming met wat verwacht werd op basis van het bureauonderzoek (hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Vroege/Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd; zie § 2.2) is in het plangebied tijdens het veldonderzoek één archeologische vindplaats uit de Nieuwe tijd aangetroffen. Vindplaats 1 betreft voormalige historische bebouwing: een opgehoogde huisplaats uit de 17e-18e eeuw tegen de voet van de Maasbandijk. Gezien de opbouw van de vindplaatslocatie en het voorkomen van een gedempte sloot in het plangebied lijkt de gaafheid en conservering van de vindplaats redelijk te zijn. Op de plaats van voormalige historische bebouwing in de directe omgeving kunnen, naast uitbraaksleuven muurresten, ook afvalpakketten en beerputten in de ondergrond aanwezig zijn. Deze archeologische waarden kunnen veel inzicht verschaffen over de ontwikkeling van Aalst in bepaalde perioden. De geologische opbouw in het plangebied komt goed overeen met de resultaten van het bureauonderzoek. In het westelijke deel van het plangebied zijn oever-op-beddingafzettingen aangetroffen, in het meest oostelijke deel komen oever-op-komafzettingen voor. Het oever- en beddingpakket, dat in wisselende diktes aangetroffen is, kan geïnterpreteerd worden als oeverafzetting van de (Afgedamde) Maas. In de diepere ondergrond, in het meest oostelijke deel van het plangebied, is een restgeulafzetting aangetroffen. Mogelijk behoort deze tot de Bruchemse stroomgordel.In het oostelijke deel van plangebied Prins Hendrikstraat, ter hoogte van de nieuw te bouwen kerk, wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek wordt aanbevolen om, bij niet gewijzigde plannen, aanvullend archeologisch onderzoek te laten verrichten in het westelijke deel van plangebied Prins Hendrikstraat ter hoogte van de voorgenomen bouwlocatie van de nieuwe pastorie. Geadviseerd wordt om dit vervolgonderzoek te laten plaatsvinden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (IVO) waarderende fase, bestaande uit een proefsleuvenonderzoek. Een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) behoort conform de KNA versie 3.1 plaats te vinden op basis van een Programma van Eisen (PvE). Dit PvE dient voor aanvang van het onderzoek te worden opgesteld door een senior-archeoloog. Uit kostenbesparend en archeologisch oogpunt is het echter wenselijk om de bouwlocatie van de pastorie vanaf de Maasdijk in oostelijke richting te verplaatsen. Indien dit gerealiseerd kan worden, wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek te laten plaatsvinden in de vorm van een archeologische begeleiding tijdens het ontgraven van de bouwput, conform het protocol inventariserend veldonderzoek voor proefsleuven (IVO-P)/opgraven uit de KNA versie 3.1. Een archeologische begeleiding behoort plaats te vinden op basis van een Programma van Eisen (PvE). Dit PvE dient voor aanvang van het onderzoek te worden opgesteld door een senior-archeoloog.Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) directe aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (voorheen RACM) verplicht (vondstmelding via ARCHIS).Met betrekking tot de bevindingen van onderhavig onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag (de gemeente Zaltbommel).