In mei 2015 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Twijnstraat in het zuidelijk deel van de historische binnenstad van Utrecht (gemeente Utrecht). De aanleiding voor het onderzoek is de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de herinrichting van de straat. Bij de voorgenomen herinrichting zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied kunnen worden verstoord. Om de omgevingsvergunning te kunnen aanvragen, is op grond van het gemeentelijk beleid daarom eerst een archeologievergunning nodig. Deze vergunning kan alleen worden aangevraagd, wanneer archeologisch onderzoek is uitgevoerd waarin sprake is van een waardestelling van het terrein. Het plangebied is hiermee onderzoeksplichtig. Dit rapport beschrijft de resultaten van een archeologisch vooronderzoek in het plangebied en voorziet in die plicht. Op basis van het vooronderzoek is vastgesteld dat het plangebied een zeer hoge archeologische verwachting heeft op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Specifiek zijn bewoningsresten evenals resten van historische infrastructuur te verwachten. Eerder gedane vondsten in en vlakbij het plangebied (o.a. een houten wegdek en lemen vloerniveaus) in combinatie met de tijdens dit onderzoek gevonden indicatoren c.q. ophooglagen vormen hier aanleiding toe. Deze resten bevinden zich onder een modern pakket ophoogzand vanaf een diepte van circa 70 cm –Mv, op de plekken rondom de huidige riooltracés. In het uiterste noorden van het plangebied is van een archeologisch ophoogpakket geen sprake. Daar liggen onder het wegdek werfkelders. De verwachting op resten die ouder zijn dan de Late Middeleeuwen is laag. Het lijkt erop dat het plangebied grotendeels in de overgangszone van de (zandige) oever naar een restgeul heeft gelegen. In deze zone hebben gedurende de Late Middeleeuwen dempingen plaatsgevonden om het hoogteverschil te overbruggen en de lagere gebieden nabij de geul bewoonbaar te maken. Dit betekent dat gedurende de IJzertijd – Vroege Middeleeuwen het plangebied lager lag of zelfs te nat was voor bewoning waardoor geen nederzettingsresten te verwachten zijn. Wel kunnen watergerelateerde zaken gevonden worden in de natuurlijke (bedding)afzettingen, zoals afvalresten, visfuiken en mogelijk scheepswrakken.