Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek
Op basis van het in juni/juli 2022 uitgevoerde bureauonderzoek blijkt dat het plangebied een hoge verwachting heeft op het voorkomen van archeologische resten/sporen uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag, uitgezonderd de hoge verwachting op resten uit de Tweede Wereldoorlog. Het plangebied ligt in een overgangszone, van de oostelijk georiënteerde flanken van het stuwwallengebied van Nijmegen naar de verder naar het oosten toe lopende daluitspoelingswaaiers. Niet ver weg van het plangebied ligt ook het beekdal van De Groesbeek, welke zal hebben gediend als natuurlijke bron voor water en tevens een grote aantrekkingskracht op wild zal hebben gehad, waarop kon worden gejaagd. Deze landschappelijke gradiëntzone vormde voor Jagers-Verzamelaars ((Laat-)Paleolithicum - Mesolithicum) gunstige locaties voor (tijdelijke) bewoning. Ook voor Landbouwers (vanaf het Neolithicum) vormde het plangebied een gunstige locatie voor permanente bewoning. De verwachte leemrijke en daardoor vruchtbare bodems vormde geschikte akkergronden. Vooral langs het beekdal van De Groesbeek, maar ook dichtbij het plangebied, zijn archeologische vindplaatsen aangetroffen daterend vanaf de IJzertijd. Het betreffen niet alleen sporen van bewoningsactiviteiten (nederzettingscomplexen/huisplaatsen/erven), maar ook restanten van grafvelden behorend tot de Nederrijnse Grafheuvelcultuur. Historisch gebruik laat zien dat het plangebied tot de oude bouwlandgronden heeft behoort en dat er plaggenbemesting heeft plaatsgevonden. Er zijn geen aanwijzingen dat het plangebied tot een historisch erf heeft behoort. Resten van sporen van Nieuwe tijd bebouwing/bewoning worden daarom niet verwacht. Wel is er in de omgeving van het plangebied gedurende de Tweede Wereldoorlog hevig gevochten tijdens Operatie Market Garden. Vrijwel direct ten oosten van het plangebied, aan de Kloosterstraat 44, zijn tijdens een proefsleuvenonderzoek sporen van een Duitse munitiespoorlijn en een schuttersputje aangetroffen. naast een vindplaats uit de IJzertijd. Geadviseerd is een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten een merendeels intact bodemopbouw zien binnen (de onbebouwde delen van) het plangebied. Inclusief de huidige/bewerkte bouwvoor is er sprake van een gemiddeld 55 cm -mv dik plaggendek. Een aantal boringen laten wel iets dieper geroerde/verstoorde lagen zien, welke mogelijk deels opgebrachte grond betreft, maar ook onder deze recent bewerkte lagen is nog een deel van het oorspronkelijke plaggendek aanwezig. Onder het plaggendek is van de van nature gevormde holtpodzolbodem/bruine bosgrond nog vaak nog een deel van de verwerings-/verbruinings-Bws-horizont aanwezig die geleidelijk overgaat naar de overgangs-BC-horizont. Bij enkele boringen oogt de overgang als een menglaag van het plaggendek met (deel van) de verwerings-/verbruinings-Bws-horizont van oorspronkelijke vorstvaaggrond/holtpodzolbodem (Aa2- dan wel Aa3-/Bws-horizont). Vanaf circa 80 cm -mv vindt de overgang plaats naar de C-horizont. Bij géén van de boringen zijn diepgaande verstoringen waargenomen en het merendeels intacte bodemprofiel betreft een hoge enkeerdgrond.
Op basis van deze bodemopbouw zal het archeologisch potentiële vondstniveau binnen het plangebied zijn verstoord, ten gevolgde van het agrarisch gebruik en het vermengen van plaggenbemesting met de oorspronkelijke minerale bovengrond van de van nature gevormde vorstvaaggrond/bruine bosgrond. Vuur-steenvindplaatsen van jagers-verzamelaars, welke voornamelijk bestaan uit strooiingen van fragmenten vuursteen en (beperkt voorkomen van) ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke bodem, zullen waarschijnlijk al verloren zijn gegaan (geen in situ gelegen strooiing van fragmenten vuursteen). Het archeologisch potentiële sporenniveau is nog wel (merendeels) intact aanwezig is. Archeologische (bewonings)sporen van permanente bewoning (landbouwers), indien aanwezig, kunnen deels intact onder het plaggendek in het restant van de Bws-horizont worden aangetroffen en zullen meest zichtbaar zijn in de BC-horizont en de overgang naar de C-horizont.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten en sporen uit de perioden Neolithicum t/m de Middeleeuwen en uit de Tweede Wereldoorlog behouden blijft. Voor vuur-steensites uit de perioden (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum wordt de kans klein geacht om deze nog (deels) intact aan te treffen en kan de verwachting bijgesteld worden naar een lage verwachting. Archeologische sporen en in situ gelegen resten van Landbouwers kunnen direct onder het gemiddeld 55 cm dikke plaggendek worden aangetroffen. Archeologische sporen zullen meest duidelijk zichtbaar zijn in de BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont, op een diepte tussen circa 65 en 80 cm -mv. Ook binnen de huidige bebouwing is het archeologisch potentiële sporenniveau nog (deels) intact, met de verwachting dat funderingen geplaatst zijn boven de oorspronkelijke top van de C-horizont. Mocht er worden overgegaan tot het realiseren van nieuwbouwwoningen, waarbij gebouwd gaat worden “op staal” (staalfundering op het gele zand (top van de C-horizont)), zullen eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. Vervolgonderzoek zal binnen het plangebied bij deze ontwikkelingen dan ook noodzakelijk zijn.
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO-O) wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het gehele plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren, mocht er daadwerkelijk worden overgegaan tot het realiseren van nieuwbouwwoningen. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek. Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is alleen mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt door niet dieper te ontgraven dan de door de bevoegde overheid aangegeven vrijstellings-diepte van 40 cm onder het huidige maaiveld (bijvoorbeeld door het plangebied/de te bebouwen terreindelen op te hogen). In de praktijk zal dit lastig uitvoerbaar zijn, gezien de wens te gaan bouwen op de vaste ondergrond (‘bouwen op geel zand’) en het aanleggen van nieuwe nutsvoorzieningen (waarvoor sleuven zullen worden uitgraven).
Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Berg en Dal, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door mevrouw E.K. Mietes, regioarcheoloog regio Nijmegen, d.d. 13 september 2023). Met bovenstaand advies wordt ingestemd.