Plangebied Oranjebuurt te Bunnik, gemeente Bunnik; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek

DOI

In opdracht van de gemeente Bunnik heeft RAAP in februari-maart 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Oranjebuurt te Bunnik. Het onderzoek vond plaats in het kader van een omgevingsvergunning. In het plangebied zijn werkzaamheden aan de riolering voorzien. De bestaande riolering wordt vervangen of gerelined en er wordt een nieuw hemelwaterafvoer-riool aangelegd.Op basis van het bureauonderzoek kan worden gesteld dat het plangebied op de stroomgordel-oeverwal van de Kromme Rijn (en voorlopers binnen het Oude Rijnsysteem) ligt. De natuurlijke bodemopbouw in het plangebied bestaat naar verwachting uit oever- op geul-/beddingafzettingen. Plaatselijk kunnen ook restgeul- of crevasseafzettingen aanwezig zijn. Indien het bodemprofiel goeddeels intact is bestaat voor oevers, crevasses en inactief geraakte geulen een middelhoge-hoge archeologische verwachting voor sporen van bewoning en andere vormen van intensief landgebruik (zoals akkerbouw) uit de ijzertijd en de Romeinse tijd. Resten uit deze periode kunnen op geringe diepte onder het maaiveld aanwezig zijn. Potentiële archeologische niveaus uit de bronstijd zijn waarschijnlijk geërodeerd. Voor afgedekte geul-/restgeulafzettingen bestaat een lage-middelhoge archeologische verwachting voor de aanwezigheid van (rituele) deposities, scheepswrakken, kades of beschoeiingen. Een smalle zone langs de Kromme Rijn was tot relatief recent deel van de geul van deze rivier. Voor deze zone bestaat een lage archeologische verwachting, maar hier kunnen wel bijvoorbeeld kades/beschoeiingen uit de nieuwe tijd aanwezig zijn. In het plangebied zijn geen archeologische onderzoeken uitgevoerd die gedetailleerde inzichten verschaffen in de bodemopbouw en/of de verstoringsgraad.Voor de historische perioden (vroege middeleeuwen, late middeleeuwen en nieuwe tijd) bestaat een hoge archeologische verwachting voor de omgeving van de Brink en de Dorpsstraat, waar Bunnik vanaf de 8e eeuw is ontstaan (zie de verwachtingskaart; figuur 18). Ter plaatse van de Dorpsstraat en de Smalleweg kunnen resten van voorlopers van deze wegen aanwezig zijn, die waarschijnlijk van oudsher het stratenpatroon in deze omgeving vormden. Het oudste deel van de Stationsweg lijkt buiten het plangebied te vallen. Op basis van de eerste kadastrale kaarten bestaat daarnaast een hoge archeologische verwachting voor resten van een boerderij met erf uit de vroege 19e eeuw (en mogelijk ouder) nabij de Kromme Rijn, die met een laan aan de voorloper van de Stationsweg was aangesloten. Met uitzondering van de benoemde zones, bestaat voor het grootste deel van het plangebied een lage archeologische verwachting voor bewoningssporen uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd. Deze zones waren in ieder geval vanaf de vroege 19e eeuw in gebruik als akker, boomgaard of weiland. In deze zones kunnen wel ontginningsporen (zoals greppels en slootvullingen) worden aangetroffen.Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Hoewel de bodemopbouw ter plaatse van bestaande rioleringen of kabel-leidingsleuven tot een bepaalde diepte verstoord zal zijn, kunnen hier nog in situ archeologische resten en sporen uit de lange periode vanaf de ijzertijd binnen circa 1,5 m –mv aanwezig zijn. Gezien de aard van de ingrepen (vervanging/relining riolering en aanleg nieuw hemelwaterafvoer-riool) is planaanpassing, waardoor verstoring van potentiële archeologische niveaus wordt voorkomen, niet mogelijk. In het kader van de bestaande planvorming wordt aanbevolen onderstaande vervolgstappen uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen (zie de advieskaart; figuur 19).Voor de zones waar bewoningssporen uit de vroege middeleeuwen, late middeleeuwen of nieuwe tijd worden verwacht, wordt aanbevolen de graafwerkzaamheden archeologisch te begeleiden (conform protocol Inventariserend Veldonderzoek-Proefsleuven, variant archeologische begeleiding; IVO-P). Gezien de aard en de locaties van de ingrepen is een andere vorm van gravend vervolgonderzoek praktisch niet haalbaar. In deze zone wordt géén voorafgaand (verkennend) booronderzoek nuttig geacht door de aard van de verwachte archeologische resten: de verwachte potentiële archeologische niveaus zijn op het oog vaak lastig te onderscheiden van recente verstoringen en de aanwezigheid van onder andere muurwerk is lastig vast te stellen op basis van een booronderzoek. Voorafgaand aan de start van een proefsleuvenonderzoek, variant archeologische begeleiding, dient een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld.Voor het grootste deel van het plangebied wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen de uitvoering van een verkennend archeologisch booronderzoek geadviseerd (conform protocol IVO-O). Voor deze zones bestaan geen harde aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd, maar hier zijn in ieder geval wel sporen en resten uit de ijzertijd en de Romeinse tijd te verwachten. Dit vervolgonderzoek is met name aan de orde in het kader van de aanleg van het nieuwe riool, dat mogelijk deels in ongeroerde grond word aangelegd. Indien uit de concrete planvorming blijkt dat de benoemde werkzaamheden overduidelijk beperkt blijven tot reeds geroerde grond, dan vervalt het advies voor dit vervolgonderzoek.Het verkennend booronderzoek heeft tot doel de bodemopbouw (met name de aanwezigheid van oeverafzettingen met een goeddeels intact/ontkalkt bodemprofiel en restgeulafzettingen) en aanwezige bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Aan de hand daarvan kan de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting worden getoetst en kunnen concrete gegevens worden verzameld over gaafheid en diepteligging van de verwachte archeologische resten. Dit verkennend booronderzoek zou in eerste instantie puur ‘landschappelijk’ kunnen worden ingestoken door enkele boorraaien in goed toegankelijke zones uit te voeren, maar waar de bodem (vergeleken met de locatie van de werkzaamheden) waarschijnlijk minder geroerd zal zijn. Er wordt geadviseerd om deze boringen maximaal 30 m te spreiden. Eventueel kunnen de boringen verdicht worden om landschappelijke overgangen en/of grootschalige verstoringen nader te begrenzen. Op deze wijze worden de boringen enigszins los van de werkzaamheden gekoppeld, maar kunnen concrete gegevens over de bodemopbouw in het plangebied worden vergaard, die zullen helpen tot het beter specificeren en eventueel zoneren van de archeologische verwachting. Een andere mogelijkheid is om het verkennend booronderzoek in het gehele plangebied uit te voeren, maar te beperken tot de locaties of zones in de directe nabijheid van de te graven werkputten. Hierbij wordt ook aanbevolen om een onderlinge boorafstand van maximaal 30 m aan te houden. In het geval dat boringen in de openbare weg worden uitgevoerd, moet rekening worden gehouden met mogelijke verkeersmaatregelen, wegafzettingen en/of betonboringen op locaties waar de oppervlakteverharding niet eenvoudig met de hand verwijderd kan worden, zoals bij tegels of klinkers.Voor een relatief smalle strook langs de Kromme Rijn wordt op basis van de lage archeologische verwachting voor deze zone in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-z9v-3cjr
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-z9v-3cjr
Provenance
Creator D. Peeters
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor A.M. Brinkman; RAAP Archeologisch Adviesbureau BV
Publication Year 2021
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact A.M. Brinkman (RAAP Archeologisch Adviesbureau BV.)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 12245; 11989; 887; 7312; 8625205
Version 1.0
Discipline Humanities