In het plangebied is veen in de ondergrond aanwezig, waarvan in sommige delen kan worden aangenomen dat de top nog intact is. Deze zones zijn begrensd op basis van twee criteria: de aanwezigheid van een geoxideerde top én de hoogte ervan in het landschap (zie afb. 6). Dáár waar het veen intact is, geldt een matig tot hoge verwachting voor archeologische resten uit de Middeleeuwen. De te verwachten sporen kunnen waterputten, afvalkuilen, huisresten (palen/paalgaten/haardplaatsen), erfinrichtingen en ophogingen betreffen. Ook resten van oude verkavelingspatronen (slootvullingen) en dijkjes kunnen binnen het plangebied aanwezig zijn. De sporen kunnen vondsten bevatten van met name dagelijks gebruiksgoed en slachtafval, maar ook van agrarische componenten zoals zaden en macroresten, die informatie kunnen leveren over het gebruik van de vroegste veenontginningen. Omdat het opsporen van archeologische resten in veengebieden met booronderzoek niet goed mogelijk is (de archeologische lagen kunnen sterk lijken op het natuurlijke veen), wordt aangeraden om vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van zoeksleuven.