Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van de verzamelde landschappelijke gegevens blijkt dat de Oude Rijn, als kleinschaligere meandergordel, tot in de Vroege-Middeleeuwen ter plaatse van het plangebied nog actief heeft gestroomd. Hierdoor zullen oudere oeverafzettingen, met eventueel in de top aanwezige archeologische resten (uit de Romeinse tijd), als gevolg van laterale verplaatsing van deze meandergordel zijn geërodeerd. Daarom geldt er in ieder geval geen archeologische verwachting meer voor in situ liggende resten uit de perioden vóór de Middeleeuwen.
Tevens blijkt uit zowel topografisch kaartmateriaal als diverse (lucht)foto’s dat het plangebied in de jaren ’20 van de 20e eeuw is ontgraven en tot enkele jaren gelegen vrijwel geheel water betrof. Ten opzichte van het maaiveldniveau van aangrenzende terreindelen uit deze periode zal hiervoor meerdere meters diep ontgravingen hebben plaatsgevonden. Impressiefoto’s uit de tweede helft van de 20e eeuw laten een kade zien (eerst van hout en tijdens de tweede helft van de 20e eeuw vervangen door een betonnen kade), waarbij het waterniveau zeker een meter lager ligt dan het naastgelegen maaiveldniveau. Naar verwachting zal er zeker sprake zijn geweest van een waterkolom van 1 tot 2 meter ten opzichte van de bodem van de destijds aanwezige waterpartij. In de omgeving van het stationsgebied zijn oeverafzettingen met bijbehorende vegetatiehorizonten/laklagen (als potentiële loopniveaus) vrijwel altijd tussen 1 en 2 meter +NAP aangetroffen. Op dit niveau zijn voornamelijk archeologische resten uit de Romeinse tijd en de Vroege-Middeleeuwen aangetroffen. Met een huidig maaiveldniveau van circa 2,4 meter +NAP is zeker de verwachting dat voorheen aanwezige oeverafzettingen binnen het plangebied reeds ontgraven zullen zijn. Ook met een ontgravingsdiepte van meerdere meters is er geen verwachting meer om nog Nieuwe tijd resten/sporen/structuren te verwachten (uit de periode dat het plangebied deel ging uitmaken van het plan Moreelse). Mocht er sprake zijn geweest van houten beschoeiingen langs de Bloemgracht (Kruisvaart) en de Mariagracht (Kruisvaartdwarsgracht), en daarmee langs de noordoost- en zuidoostzijde van het plangebied, dan zullen deze ook zijn verwijderd toen het plangebied deel ging uitmaken van een waterpartij (verbreding van een deel van de oorspronkelijke Kruisvaart).
Conclusie en advies
Het bureauonderzoek toont aan dat er binnen het plangebied geen archeologische resten/sporen/structuren meer worden verwacht, omdat het in de jaren ’20 van de 20e eeuw is ontgraven en tot enkele jaren gelegen water betrof. Eventueel voorheen aanwezige archeologische resten/sporen/structuren zullen tijdens deze ontgravingen zijn verstoord/verwijderd. Geadviseerd wordt dan ook om geen aanvullend onderzoek/vervolgonderzoek te laten uitvoeren.
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).