Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (14248.001) Larenseweg 123 en 125 te Hilversum

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachtingOp basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor het voorkomen van archeologische resten uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m de m Middeleeuwen. Het plangebied ligt binnen een met dekzand afgedekte sandr, en daarmee op een relatief hoge positie in het landschap, wat zowel gunstig was als (tijdelijke) nederzettingslocatie voor Jagers-Verzamelaars als voor Landbouwers. Archeologisch onderzoek uitgevoerd in de omgeving van het plangebied hebben tot op heden niet geresulteerd in het aantreffen van archeologische vindplaatsen. Ook bekende waarden uit de periode Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd liggen grotendeels binnen de historische kern van Hilversum, op grotere afstand ten zuidwesten van het plangebied (700 meter ten zuidwesten en verder). Tevens laat geraadpleegd historisch kaartmateriaal zien dat het plangebied aan het begin van de 19e eeuw deel uitmaakte van een agrarisch buitengebied met akkerlanden maar waar ook heideterreinen voorkwamen. Het duidt erop dat het plangebied in een relatief jong ontginningsgebied ligt. Vanaf het begin van de 20e eeuw werd het plangebied gebruik voor industriële doeleinden en hebben er in de loop der jaren diverse bouwwerkzaamheden plaatsgevonden.Resultaten inventariserend veldonderzoekDe resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten zien dat er sprake is van terreindelen (centraal-westelijke, centraal-oostelijke deel en noordwestelijke strook van het plangebied) waar moderne bodemverstorende ingrepen in beperkte mate hebben plaatsgevonden en waar nog sprake is van een (deels) intacte, van nature gevormde oorspronkelijke bodemopbouw, in de vorm van een haarpodzolbodem. Deze bevindt zich tussen 55 en 100 cm -mv. Dit bodemprofiel heeft zich gevormd in de top van de aanwezige dekzandafzettingen, welke worden gekenmerkt door een goede sortering en afgeronde zandkorrels. Er komen ook terreindelen voor (zuidelijke, westelijke en noordoostelijke deel van het plangebied) waar sprake is van een reeds diep verstoorde bodemopbouw, waar tot een gemiddelde diepte van 115 cm -mv geroerde en sterk gevlekte bodemlagen voorkomen en hieronder een scherpe overgang plaatsvind direct naar de 1C-horizont. Op basis van een dieper doorgezette boring vindt op een diepte van circa 275 cm -mv een overgang plaats naar sneeuw-/ijssmeltwaterafzettingen (2C-horizont). Deze laatste worden gekenmerkt door grind/kiezels en een slechte sortering van het opgeboorde zand.ConclusieOp basis van de aangetroffen bodemopbouw wordt geconcludeerd dat voor centraal-westelijke, centraal-oostelijke deel en noordwestelijke strook van het plangebied de gespecificeerde archeologische verwachting behouden blijft en dat daarmee de archeologische verwachtingswaarde op het voorkomen van resten daterend uit de perioden de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m de Middeleeuwen middelhoog blijft. Het archeologisch niveau (het niveau waarin archeologische resten worden verwacht) is hier nog (deels) intact aanwezig, waarbij archeologische sporen meest zichtbaar zullen zijn op een diepte van circa 100 cm -mv (op de overgang van de 1BC- naar 1C-horizont). Voor het zuidelijke, westelijke en noordoostelijke deel van het plangebied kan de archeologische verwachting voor bovengenoemde perioden verder bijgesteld worden naar geen verwachting. Vanwege de aangetroffen verstoringen worden hier in situ liggende archeologische waarden niet meer in situ verwacht.AdviesOp grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het centraal-westelijke, centraal-oostelijke deel en de noordwestelijke strook van het plangebied (oppervlak van circa 680 m²), waar sprake is van een (deels) intacte bodemopbouw, een aanvullend onderzoek te laten uitvoeren. Op grond de verwachting van een potentieel archeologisch niveau in de bovenste meter van de bodemopbouw, is het advies het aanvullend onderzoek te laten bestaan uit een archeologisch karterend booronderzoek. Geadviseerd wordt verspreid binnen de betreffende terreindelen circa 9 karterende boringen te zetten met een edelmanboor (diameter 15 cm). Er is dan sprake van een dichtheid van circa 130 boringen per hectare, waarmee zowel nederzettingen met overwegend aardewerk, nederzettingen met een archeologische laag en nederzettingen met overwegend vuursteen tot aan de middelgrote variant (200-1000 m²) met een lage vondstdichtheid kunnen worden opgespoord (conform de Leidraad Inventariserend veldonderzoek; Deel: karterend booronderzoek). Het opgeboorde materiaal dient gezeefd te worden (maaswijdte 3 mm), waarna het zeefresidu met het blote oog geïnspecteerd wordt op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Door middel van het karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen de betreffende terreindelen met een (deels) intacte bodemopbouw wel of geen archeologische resten in situ aanwezig zijn. Voor het zuidelijke, westelijke en noordoostelijke deel van het plangebied, waar sprake is van een verstoorde bodemopbouw, wordt geadviseerd geen aanvullend onderzoek/vervolgonderzoek te laten plaatsvinden.

Date Accepted: 24-11-2021

Date Accepted: 2021-11-24

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-xxm-95es
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-xxm-95es
Provenance
Creator EMILE ten Broeke
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor E.M. Broeke, ten; EMILE ten Broeke (Econsultancy); Econsultancy
Publication Year 2021
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact E.M. Broeke, ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 10146; 9192122; 10217; 1085; 4359
Version 1.0
Discipline Humanities