Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (20068A.003) Borgsche Rieten 26 te Terborg

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Late-Middeleeuwen. Het plangebied ligt specifiek binnen de terrasvlakte van het relatief laag gelegen Jonge Dryas terrasniveau (Terras X). Wellicht dat de terrasvlakte gezien werd als een voldoende geschikte locatie voor (tijdelijke) bewoning, maar de verwachting is dat de meest voorkeur uitging naar de beduidend hoger gelegen rivierduin-gronden niet ver ten noorden van het plangebied (waar een dik pakket rivierduinzand ligt). Archeologische vindplaatsen uit zowel de Steentijd, Late-Prehistorie als uit de Middeleeuwen zijn tot op heden ook juist aangetroffen ter plaatse van terreinen binnen het hoger gelegen rivierduinenlandschap (circa 300 tot 500 meter ten noordoosten van het plangebied). Onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied en binnen terreindelen/wegtracés gelegen op het Jonge Dryas terrasniveau, hebben tot op heden vooral geresulteerd in het aantreffen van een verstoorde bodemopbouw en waarbij het verder ontbrak aan cultuurlagen dan wel archeologische indicatoren. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat het plangebied vanaf in ieder geval de tweede helft van de 18e eeuw langdurig een gebruik heeft gekend als (extensief) grasland. Voordat het plangebied deel ging uitmaken van de bebouwde kom van Terborg, had het plangebied in ieder geval gedurende deze periode waarschijnlijk een ligging waar sprake was van (zeer) natte/drassige condities. Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting dan ook laag.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) laten zien dat er vanaf het maaiveld sprake is van een dik pakket recent geroerde/verstoorde lagen grond, welke waarschijnlijk ook deels ophogingslagen betreffen. Deze lagen grond komen voor tot een variërende diepte van minimaal 65 tot maximaal 205 cm -mv. De onverstoorde bodem betreft bij het merendeel van de boringen directe de Cg-horizont en in de vorm van zwaar getextureerde en soms venige overstromingsklei, welke gesedimenteerd is in een zeer nat/moerasachtig milieu en waarschijnlijk merendeels gedurende het Laat-Holoceen (vanaf de Romeinse tijd) . Mogelijk dat bij vier boringen, echter wel gespreid over het plangebied) nog een restant van de voormalige bouwvoor is aangetroffen, uit de tijd dat het terrein in agrarisch gebruik was ((extensief) grasland). Van een goed ontwikkelde bodemopbouw met gepaard gaande relatief diepe grondwaterstand, zal geen sprake zijn geweest. Onder het pakket, vermoedelijk, Laat-Holocene overstromingsklei is in de uiterste noordoosthoek nog een dunne laag grijs gekleurde, matig zandige klei aangetroffen, wat waarschijnlijk een Vroeg-Holocene Laag van Wijchen betreft. Enige bodemvorming is in deze laag niet aangetroffen. Dit geldt tevens voor de onderliggende vlechtende rivierterrasafzettingen, dat veelal bestaat uit sterk humeus/plantenresten houdend, matig fijn tot matig grof zand. De variërende diepteligging van de top/bovengrens, tussen 140 en 280 cm -mv, weerspiegeld opnieuw het vlechtend systeem van het Jonge Dryas terrasniveau (Terras X). De rijkheid aan plantenresten duiden opnieuw dat er continu sprake was van zeer natte/drassige condities, ook ter plaatse van de wat hoger gelegen terrasresten/zandbanken.

Vanuit de verkennende fase van het booronderzoek vertoond de bodemopbouw geen aanwijzingen (geen goed ontwikkelde oude bodems) die erop duiden dat het plangebied, dan wel delen van het plangebied, in het verleden een voldoende gunstige positie innam als potentiële (tijdelijke) bewoningslocatie.

Antropogeen materiaal is alleen in de geroerde/verstoorde lagen grond (waarschijnlijk ook deels opgebrachte grond) resten/brokjes machinale beton- en baksteenpuin en plaatselijk machinaal glas aangetroffen. Zeer waarschijnlijk gaat het om sloopresten van de voormalige basisschool. Het gaat om recent/modern daterend materiaal, welke niet als archeologisch relevant worden beschouwd. Archeologisch relevante indicatoren zijn verder niet aangetroffen in de onderliggende onverstoorde/niet recent verstoorde bodemopbouw. Op basis van de resultaten van de karterende fase van het booronderzoek is er dan ook geen duidelijke aanleiding meer om nog de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een middelhoge verwachting gold voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m Middeleeuwen en een lage verwachting voor de periode Nieuwe tijd, dient dan ook te worden bijgesteld naar geen verwachting.

Advies Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. De oorspronkelijke bodemopbouw is deels verstoord ten gevolge van recente bodemverstorende ingrepen die zeer waarschijnlijk hebben plaatsgevonden tijdens de bouw en sloop van de voormalige basisschool dan wel de realisatie van de bestaande inrichting als openbaar groen/parkachtig terrein. De aangetroffen bodemopbouw laat verder geen kenmerken zien dat het plangebied ooit een voldoende gunstige ligging voor het ontplooien van (tijdelijke) bewoningsactiviteiten. Tevens ontbreekt het verder aan relevante archeologische relevante indicatoren en/of lagen.

Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door de heer D. Kastelein, d.d. 7 februari 2023). Met bovenstaand advies wordt ingestemd. Verder is aangegeven dat het onderzoek voldoende is uitgevoerd. Gezien de natte bodemomstandigheden is het plangebied voor lange tijd ongeschikt geweest voor bewoning. Daarnaast is sprake van een grote mate van recente bodemverstoringen. De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats moet daarom gering worden geacht.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/NGBAJQ
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/NGBAJQ
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2023
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 10049088
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem