Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (16252.002) Kayersdijk (ong.) te Apeldoorn

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen en een lage verwachting voor de periode Nieuwe tijd. Het plangebied ligt namelijk binnen het centraal-oostelijke deel van een relatief hooggelegen en van west naar oost (flauw) hellende daluitspoelingswaaier. Voor zowel jagers-verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) zal het plangebied geen ongunstige ligging als (tijdelijke) nederzettingslocatie, maar waarschijnlijk ging de voorkeur uit naar de hoger gelegen overgangen naar het ten westen gelegen stuwwallengebied. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat ook zien dat het plangebied niet tot de enken heeft behoort die rondom de historische kern van Apeldoorn hebben gelegen en lang woeste grond/(nat) heidegebied betrof. Deze gronden werden niet gezien als de meest geschikte woon- dan wel landbouwgronden. Pas in de tweede helft van de 19e eeuw is gestart met grootschalige ontginning van het (natte) heidegebied van het Wormensche Veld, waar het plangebied deel van heeft uitgemaakt. Het plangebied zelf werd echter grotendeels (in ieder geval het noordelijke en centrale deel) ingericht als viskwekerij/forellenkwekerij, met daarbij de aanleg van verschillende visvijvers. Door herinrichtingsfases zijn ook grotere/aaneengesloten visvijvers zijn ontstaan.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) bevestigen dat ten gevolge van de inrichting/voormalig gebruik als viskwekerij er reeds diepgaande bodemverstorende ingrepen hebben plaatsgevonden in het noordelijke en centrale deel van het plangebied. Dit is niet alleen zichtbaar door de nog aanwezige relicten van bassins, maar ook door de aanwezige geroerde/verstoorde bodemlagen die zijn aangetroffen, tot een maximale diepte van circa 240 cm -mv. Ook in de zuidwesthoek van het plangebied is een verstoorde bodemopbouw waargenomen. De onverstoorde bodem betreft direct de C-horizont en in de vorm van sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingswaaierafzettingen. Voor het noordelijke, centrale deel en de zuidwesthoek van het plangebied geldt dan ook dat het archeologisch niveau (vondstniveau én sporenvlak) al diepgaand is aangetast/vergraven. In situ gelegen archeologische resten en archeologische sporen (wellicht uitgezonderd zeer diep doorlopende sporen) zullen niet meer worden aangetroffen.

Alleen in het centraal-zuidelijke tot zuidwestelijke deel van het plangebied hebben moderne bodemingrepen zich beperkt tot de huidige bouwvoor (bovenste 30/35 cm) en is nog sprake van een merendeels intacte, van nature gevormde veldpodzolbodem/gooreerdgrond. Het archeologisch potentiële sporenniveau is hier nog merendeels intact aanwezig. Archeologische sporen, indien aanwezig, zullen meest duidelijk zichtbaar zijn in de 1BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont, tussen circa 40 en 60 cm -mv.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat alleen het centraal-zuidelijke tot zuidwestelijke deel van het zijn middelhoge verwachting behoudt op het voorkomen van archeologische (nederzettings)sporen daterend vanaf het Laat-Neolithicum t/m de Late-Middeleeuwen. Voor een groot deel van het plangebied (het noordelijke, centrale deel en de zuidwesthoek van het plangebied) dient verder de archeologische verwachting voor alle perioden bijgesteld te worden naar een lage verwachting.

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het noordelijke, centrale deel en de zuidwesthoek van het plangebied geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren (zie kaart 21). Hier zijn reeds diepgaande bodemverstorende ingrepen uitgevoerd, zijn geen restanten van de oorspronkelijke bodemopbouw aangetroffen en geldt dan ook verder een lage verwachting op het voorkomen van in situ gelegen archeologische waarden. Binnen deze delen van het plangebied is de nieuwbouw ook gepland.

Alleen voor het centraal-zuidelijke tot zuidwestelijke deel van het plangebied, dat zijn middelhoge verwachting behoudt op het voorkomen van archeologische (nederzettings)sporen daterend vanaf het Laat-Neolithicum t/m de Late-Middeleeuwen, geldt in principe het advies om vervolgonderzoek te laten uitvoeren (zie kaart 21). Op basis van het inrichtingsplan geldt wel dat er in het centraal-zuidelijke tot zuidwestelijke deel van het plangebied geen bouwwerkzaamheden gaan plaatsvinden en hooguit inricht zal worden als parkachtig landschap dan wel onveranderd blijven. Indien hier bodemingrepen beperkt blijven tot de voor gemeente geldende vrijstellingsgrenzen (ingrepen niet dieper dan 35 cm -mv) zal vervolgonderzoek niet noodzakelijk zijn. Mochten er hier toch (in de toekomst) bodemingrepen gepland staan dieper dan 35 cm -mv, dan is een vervolgonderzoek (gravend onderzoek) noodzakelijk. Dit vervolgonderzoek kan dan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek. Voor dit proefsleuvenonderzoek, indien noodzakelijk, dient dan een door de bevoegde overheid (gemeente Apeldoorn) goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. Ten aanzien van het noordelijke, centrale deel en de zuidwesthoek van het plangebied kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onder-wijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/PJTZMQ
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/PJTZMQ
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2024
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 14965373
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem