Het plangebied Langedijk de Druppels is in opdracht van Dienst Landelijk gebied, Bestuurscommissie Uitbreiding Geestmerambacht, definitief archeologisch onderzocht.In het plangebied wordt het recreatiegebied Geestmerambacht uitgebreid. Direct onder de bouwvoor is een complex landschap uit de Romeinse IJzertijd en Middeleeuwen aangetroffen, bestaande uit kwelderwallen en middelhoge kwelders waarop veen is gevormd. Het landschap stond enerzijds onder invloed van de zee en anderzijds onder invloed van de Overijsselse Vecht en haar zijrivieren. In het plangebied zijn (kring)greppels, paalkuilen, waterputten, waterkuilen en kuilen gevonden, maar geen huisplattegronden. Enkele kuilen vielen tijdens het veldwerk op door het afwijkende vondstmateriaal dat werd aangetroffen, zoals complete potten, een benen fluitje, een dobbelsteentje en een houten regel.ADC ArcheoProjecten heeft een definitief archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied Langedijk de Druppels.Het veldwerk werd uitgevoerd tussen 2 november 2009 en 11 februari 2010. Aangezien het recreatiegebied Geestmerambacht zal worden uitgebreid en opnieuw zal worden ingericht, zullen de aanwezige archeologische waarden in de bodem worden vernietigd. Dit onderzoek had tot doel de informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming van het verleden. Tijdens het onderzoek is een oppervlakte van 35.405 m2 onderzocht. De nadruk lag tijdens het onderzoek op de Romeinse IJzertijd en de interactie tussen mens en milieu. Al tijdens het proefsleuvenonderzoek werden 12 vindplaatsen herkend. De vindplaatsen 1 tot en met 9 en 11 werden onderzocht. Aan de hand van dit definitieve archeologische onderzoek kan geconcludeerd worden dat een aantal van deze vindplaatsen tot één vindplaats behoren.Het plangebied Langedijk de Druppels stond vóór het sluiten van de Westfriese omringdijk enerzijds onder invloed van de zee en anderzijds onder invloed van de Overijsselse Vecht en haar zijrivieren.In de periode vóór 2500 v. Chr. was het plangebied gelegen in het estuarium achter het Zeegat van Bergen en bestond in de omgeving van het plangebied een uitgestrekt wad/kwelderlandschap.Omstreeks 2500 v. Chr. maakte dit landschap plaats voor een getijdengebied: het plangebied was toen onderdeel van een kweldergebied . Met verschillende overstromingen werden gedurende langere tijd de randen van de kwelder hoog opgeworpen en ontstonden er kwelderwallen.Omstreeks 1250 v. Chr. sloot het Zeegat van Bergen. Hierdoor verslechterde de afwatering, steeg de grondwaterstand en kon zich veen vormen in het plangebied. Het veen vormde zich in eerste instantie alleen op de lagere delen (de kwelders), maar uiteindelijk ook op de hogere delen (de kwelderwallen). De veenvorming begon in het plangebied waarschijnlijk na de Vroege IJzertijd.Enige eeuwen voor de jaartelling ontstond er een nieuwe opening in de kust, de Vliestroom.Hierdoor werd het veen ontwaterd met als gevolg dat het geoxideerde veen in het plangebied in de Late IJzertijd geschikt voor bewoning werd. Door exploitatie van het veenlandschap in de Middeleeuwen oxideerde het veen verder. Omstreeks 1000 n. Chr. was er sprake van hernieuwde mariene invloed in het plangebied. Door erosie, verregaande oxidatie en exploitatie verdween het overgrote deel van het veen in deze periode. In periodes met hoogwater werd er via de Zijpe en de Rekere klei (“pikklei”) afgezet in het plangebied. In de 13e eeuw kwam er met het sluiten van de Westfriese omringdijk een eind aan de mariene invloed in het plangebied.In de Romeinse IJzertijd waren in het plangebied twee kwelderwallen als hogere delen in het landschap zichtbaar. Hiertussen was een middelhoge kwelder aanwezig, waarop zich reeds na de Vroege IJzertijd veen had gevormd, dat vanaf de Late IJzertijd bewoonbaar was. Op de met veen overgroeide kwelderwallen vond in de 1e tot 3e eeuw n. Chr. bewoning plaats. Hiervan waren greppels, kuilen, paalkuilen, waterputten en waterkuilen tijdens het onderzoek zichtbaar.Huisplattegronden zijn niet aangetroffen. Dit komt waarschijnlijk doordat het plangebied afgetopt is en de ondiepere sporen op de kwelderwallen als gevolg hiervan verloren zijn gegaan. In de omgeving van de bewoning waren graslanden aanwezig waar veeteelt werd bedreven. Op het veen in de lager gelegen delenbedreef men akkerbouw, er werden granen verbouwd. Om te zorgen dat de bodem vruchtbaar was, werd de begroeiing op het veen regelmatig platgebrand. In de omgeving van de vindplaatsen groeide op de hogere, ontwaterde delen van het veen onder andere struikheide. Op de verder weg gelegen strandwallen en de duinen bevond zich een open loofbos (pollen van hazelaar, berk en eik werden gevonden).Op het lager gelegen veen vonden, naast dat er werd geakkerd, ook menselijke activiteiten plaats in de 1e-3e eeuw n. Chr, die waarschijnlijk te maken hebben met de ‘bijzondere’ kuilen die in het plangebied zijn aangetroffen. Er zijn tijdens het archeologisch onderzoek in Langedijk de Druppels 29 ‘bijzondere’ kuilen gevonden. Deze kuilen waren ‘bijzonder’ vanwege hun inhoud. Sommige kuilen bevatten complete potten; sommige gedeeltelijke begravingen van zowel rund en schaap/geit en sommige kuilen bevatten zogeheten markeringsbotten. Markeringsbotten zijn alle botten van hond en paard en vogels; schedelfragmenten (veel voorkomend in kuilen in Noord-Holland zijn: kaakfragmenten en tanden); (delen van) onderpoten (zoals bijvoorbeeld voetwortelbeentjes, sprongbeen, scheenbeen, teenkootjes enz.).Er is een duidelijke selectie gemaakt van het materiaal dat in de kuilen werd gevonden, het is niet gewoon nederzettingsafval. Deze kuilen lijken een rituele betekenis te hebben gehad. In één van de ‘bijzondere’ kuilen uit de 2e-3e eeuw n. Chr. werd een complete pot met een dobbelsteentje van aardewerk gevonden; in een andere kuil een complete pot met houtfragmenten en een schouderblad van een rund. De ‘bijzondere’ kuilen werden op zowel de kwelderwallen als op de kwelder gevonden.Ook werd een greppel net buiten de kwelderwal van vindplaats 1-4 aangetroffen, die veel min of meer complete potten met versierde rand en met ‘verf’ bevatte. Sommige van deze potten bevatten nog resten van het voedsel dat de bewoners van de nederzetting hadden gegeten. Dit voedsel is onderzocht. De vroegere bewoners van het recreatiegebied aten voornamelijk plantaardig voedsel. Ook zijn resten van peen en vlierbessen gevonden en werd zelfs een aardbeizaadje ontdekt. Deze groenten werden verbouwd in moestuintjes dichtbij de bewoning.Ook in de (Late)Middeleeuwen waren de kwelderwallen nog duidelijk als de hogere delen in het landschap zichtbaar. Waarschijnlijk vond hier, net als in de Romeinse IJzertijd, de bewoning plaats. Met zekerheid is dit niet te zeggen aangezien er tijdens het onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van huisplattegronden. Er is weinig dateerbaar vondstmateriaal gevonden dat de sporen in de (Late) Middeleeuwen dateert. Ook voor de laat middeleeuwse sporen geldt dat de afwezigheid van huisplattegronden waarschijnlijk verklaard kan worden door het eerder genoemde argument: de kwelderwallen zijn bij latere ingebruikname van het land als landbouwgrond afgetopt, waarbij de bewoningssporen verloren zijn gegaan. De diepere sporen, zoals greppels, kuilen en waterputten, werden wel aangetroffen.Een voorbeeld hiervan is een beschoeide waterput, die goed bewaard was gebleven. De wand van de waterput bestond uit houten palen met vlechtwerk ertussen De waterput bevatte bovenin één aardewerkscherf die in de Late Middeleeuwen dateert. De waterput zelf is al ouder en dateert uit de Vroege Middeleeuwen, blijkt nadat één van de houten palen is gedateerd (663-726 n. Chr.). In de omgeving van de vindplaatsen was ook in de Late Middeleeuwen op de verder weg gelegen strandwallen en duinen een open, gemengd loofbos aanwezig (pollen van hazelaar, eik, berk en iep werden gevonden). Lokaal waren de bossen verdicht, getuige de vondst van pollen van linde en beuk.Dit onderzoek in de Geestmerambacht heeft een bijdrage geleverd aan de kennis van (de dynamiek van) het landschap gedurende vele duizenden jaren. Daarnaast heeft dit onderzoek meer inzicht gegeven in de interactie tussen mens en landschap van de Romeinse IJzertijd tot de Late Middeleeuwen. Hoewel de vindplaatsen in het plangebied onder invloed stonden van regionale landschappelijke processen, is het duidelijk geworden dat er lokaal sprake was van een enorme variatie in de landschappelijke factoren waarmee de vroegere bewoners te maken hadden.
Een archeologische opgraving te Langedijk de Druppels
Date Submitted: 2010-11-30