In augustus 2024 is in opdracht van de gemeente Gouda door Antea Group een archeologisch booronderzoek (IVO-O, verkennende fase) uitgevoerd op De Schopschijf, binnen het projectplan Korte Akkeren Oud in Gouda. Aanleiding voor het onderzoek is de aanleg van nieuwe riolering in het plangebied. Eerder is voor dit gehele plangebied een bureauonderzoek uitgevoerd, waar ‘De Schopschijf’ als enige deel uit kwam waar een verkennend booronderzoek uitgevoerd moest worden.
Doel en resultaten booronderzoek
Door middel van het verkennend booronderzoek kunnen twee dingen worden bepaald: - De aard van de bodemopbouw; - De mate van intactheid van de oorspronkelijke bodemopbouw inclusief de archeologische sporendragende niveaus. In het verkennend booronderzoek is door middel van het uitvoeren van 5 boringen de bodemopbouw van het onderzoeksgebied bepaald. Er is sprake van een vrij eenvoudige bodemopbouw, die goed overeenkomt met de bodemopbouw zoals die is vastgesteld bij archeologische onderzoeken in de directe omgeving. De natuurlijke bodem bestaat uit (matig tot sterk houthoudend) veen, waar plaatselijk een dunne kleilaag (20 cm dik) overheen ligt. De top van het natuurlijke veen- en kleiniveau ligt op een diepte van 2,4-3,0 m-mv (ca. 4,2-4,8 m-NAP). Hierboven is vermoedelijk in een grootschalige ophoogfase grond opgebracht. Het grootste deel van het opgebrachte pakket bestaat ook uit veen, wat door de kluiterige structuur en enkele kleilaagjes/brokken (slechts moeilijk) te onderscheiden is van de oorspronkelijke veenlaag. Plaatselijk is dit ophogingspakket duidelijker te onderscheiden omdat er ook baksteenfragmenten in verwerkt zijn. De top van deze laag ligt op 1,2 -1,5 m-mv (3,0-3,2 m-NAP). Boven dit niveau is in de boringen alleen recent materiaal aangetroffen, bestaande uit recent ophoogzand/teelaarde op een puinhoudende laag met vermoedelijk 20e-eeuws puin. Twee boringen zijn gestuit op deze puinlaag, of mogelijk funderingsresten. Dit is op plaatsen waar volgens de kadastrale kaart van 1927 (industriële) bebouwing stond.
Conclusies en (selectie)advies
Door de voorgenomen graafwerkzaamheden tot 1,0-1,1 m-mv zullen geen archeologisch relevante niveaus worden verstoord. Daarom wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Er hoeft geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. N.B. Het bevoegd gezag (gemeente Gouda) heeft in de mail van 1 oktober 2025 aangegeven akkoord te zijn met de conclusie dat geen aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Daarbij is opgemerkt dat de rioolsleuf plaatselijk iets dieper wordt dan de eerdergenoemde 1,0–1,1 m-mv, maar dat deze diepere verstoring beperkt blijft tot een smalle sleuf die de archeologisch relevante niveaus niet of nauwelijks raakt. De conclusie dat geen archeologisch vervolgonderzoek nodig is, blijft daarmee ongewijzigd. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk archeoloog kan ook.