Laagland Archeologie heeft in februari-maart 2023 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Romienendiek te Aalten. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom een bosontwikkeling op drie percelen.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van het bureauonderzoek ligt de Romienendiek op een noordwest-zuidoost doorlopende rug bestaande uit dekzandwelvingen en hoge landduinen. De Romienendiek is een oude handelsweg tussen Münster en het Duitse Rijnland en (hanze)steden aan de IJssel en Holland. Bodemkundig liggen er veldpodzolgronden. In het onderzoeksgebied zijn archeologische resten bekend uit het Laat-Paleolithicum en Laat-Neolithicum. In de IJzertijd was het gebied overgroeid met veen. Het is onbekend of de rug waartegen het plangebied ligt eveneens bedekt was met veen. Het kan ook zijn dat de rug langere tijd een verbindingsweg vormde en later of mogelijk niet is overgroeid met veen. De deelgebieden zijn gelegen tussen heuveltjes (landduinen), maar zijn zelf duidelijk vlak en zijn waarschijnlijk afgegraven. Mogelijk heeft dan ook enige verstoring plaatsgevonden. Ook de bosaanplant begin vorige eeuw kan enige verstoring hebben veroorzaakt.In historische tijden (vanaf circa 1832) werd het terrein omschreven als heide.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Vrijwel overal is een onverstoorde bodemopbouw aangetroffen bestaande uit een ongeveer 30 cm dikke bouwvoor met in de meeste gevallen daaronder onverstoorde horizonten van afgedekte podzolgronden, afgezien van een paar boringen die een verstoorde bodemopbouw hebben. Er geldt er een hoge archeologische verwachting voor het Laat-Paleolithicum en een middelhoge archeologische verwachting voor het Mesolithicum tot Midden-Neolithicum. Voor de delen van het plangebied waar de waterhuishouding gunstiger was geldt een hoge archeologische verwachting voor het Laat-Neolithicum tot de Late Middeleeuwen (Verwachting 1, afbeelding 15) en een middelhoge archeologische verwachting voor de Nieuwe tijd. De archeologische verwachting voor de periode Laat-Neolithicum tot Nieuwe tijd is laag binnen het plangebied waar de bodemvorming onder een ongunstigere waterhuishouding heeft plaatsgevonden (Verwachting 2).De plannen zijn versoberd om een behoud in-situ mogelijk te maken. In deze versoberde plannen concentreren de bodemingrepen zich alleen nog waar op het terrein bos en bosstruweel is voorzien. De verstoringsdiepte bij het graven van plantgaten beperkt zich tot een maximale diepte van 30 cm. Indien de bodemverstorende werkzaamheden beperkt blijven tot een maximale diepte van 30 cm – mv, wordt het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet zinvol geacht.We adviseren in het bestemmingsplan wel een aanduiding omtrent archeologie op te nemen, waarbij een beperking van bodemverstorende werkzaamheden tot maximaal 30 cm als bindende voorwaarde wordt verbonden.Dit advies wordt gecontroleerd door de bevoegde overheid, de gemeente Aalten. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, de regio-archeologen van de Omgevingsdienst Achterhoek.