Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor de perioden Midden- en Laat-Neolithicum en een hoge verwachting voor de perioden vanaf de Bronstijd. Deze verwachting is vooral gebaseerd op de ligging van het plangebied op een hoger gelegen plateau-achtige terrasrest, bedekt met oever- dan wel overstromingsafzettingen die gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de ten zuiden van Netterden gelegen Hetter Landwehr stroomgordel (tussen circa 6400 tot 4550 voor Chr.). Dit vormde, in vergelijking met de meer komachtige en daarmee vrij natte omliggende gebieden, een geschiktere locatie voor permante bewoning en gebruik voor landbouwdoeleinden. Eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek circa 160 meter ten noorden van het plangebied heeft archeologische resten opgeleverd uit de Late-Bronstijd - IJzertijd, de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Voor het plangebied geldt tevens een zeer hoge verwachting voor de periode Nieuwe tijd, gezien de ligging binnen de historische dorpskern van Netterden, welke in ieder geval een laatmiddeleeuwse oorsprong heeft, op basis van de omstreeks 1250 gebouwde Walburgiskerk. Ook het oudst beschikbare historisch kaartmateriaal laat zien dat het plangebied aan het begin van de 19e eeuw al in gebruik was als woonerf/boerenerf en er bebouwing aanwezig was. Er hebben verder diverse keren bouwwerkzaamheden plaatsgevonden, waarbij de bestaande bebouwing dateert uit de 20e eeuw en merendeels uit de tweede helft van de 20e eeuw. Er dient wel rekening te worden gehouden met sporen/resten van bebouwing/structuren uit de periode vanaf de 18e eeuw of mogelijk nog ouder. Deze kunnen bestaan uit muurwerk, keldervloeren en uitbraaksleuven en binnen de voormalige achtererven kunnen resten van bijgebouwen en water-/beerputten aanwezig zijn. Tijdens deze intensieve bewoningsperiode kan ook (periodiek) ophoging hebben plaatsgevonden (ging veelal gepaard met een nieuwe bouwfase).
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) laten zien dat onder een recente laag cunet-/stabilisatiezand/de halfverhardingslaag dan wel vanaf het maaiveld sprake is van een dik pakket oude woongrond/ophogingslagen, tot gemiddeld 140 cm. De gemiddeld bovenste 90 cm van dit pakket oogt nog als vrij recent geroerd/verstoord dan wel aangebracht, gezien het voorkomen van betonresten, machinaal glas en kolengruis/sintels naast resten/brokken rode baksteen en kalkzandmortel. Bij vier van de acht boringen is, tussen gemiddeld 140 en 180 cm -mv, mogelijk nog sprake van een oudere bewerkte bodem/oude cultuurlaag met dun restant van een (zwak ontwikkelde) verwerings-/verbruinings Bw-horizont van de oorspronkelijke ooivaaggrond, als oorspronkelijke top van het pakket oever-/overstromingsafzettingen. Dit natuurlijke maar relatief dunne pakket oeverafzettingen/overstromingsafzettingen ligt op vlechtende rivierterrasafzettingen, welke waarschijnlijk gerekend kunnen worden tot het Laat-Pleniglaciale terras.
Divers vondstmateriaal is aangetroffen in het ophogingspakket, voornamelijk in de vorm van bouw-keramiek (brokken handgevormde baksteen, kalkzandmortel, fragmenten rood- en grijsbakkende dakpan), maar ook fragmenten aardewerk (veelal Nederrijns roodbakkend aardewerk, een enkel fragment faience en witbakkend aardewerk), pijpaardewerk (pijpensteeltje), metaalslak/sintels en een ijzeren nagel, twee fragmenten glas (o.a. van een fles) en een deel van de onderkaak van een hond. Een tweetal fragmenten daklei zijn wellicht afkomstig van de nabij gelegen Walburgiskerk. Het materiaal kan qua datering geplaatst worden in de periode 1650-1950. Naast dit merendeels determineerbare vondstmateriaal zijn in het ophogingspakket, als in de bij de boringen 2, 4, 5, en 7 waargenomen oudere bewerkte bodem/oude cultuurlaag, welke mogelijk te relateren is aan een historisch (boeren)erf, fijne spikkels houtskool en fosfaatvlekken aangetroffen. Dit duidt eveneens op een intensief historisch gebruik van het plangebied, wat ook overeenkomt met de ontwikkeling zichtbaar op geraadpleegd historisch kaartmateriaal (zie § 2.7).
Verder zijn de boringen 6 en 8 op respectievelijk 85 en 205(!) cm -mv gestaakt op massieve verhardingen van zeer waarschijnlijk rode bakstenen. Het geeft dat dat er zich restanten van funderingen/muurresten bevinden binnen de begrenzing van het plangebied. Omdat boring 8 op grote diepte is gestaakt, zou het ook kunnen gaan om restanten van een beer-/waterput, echter kan het ook betekenen dat er sprake is van restanten van steenbouwfases uit verschillende perioden (dieper gelegen restanten van steenbouw uit de 17e eeuw, relatief ondiep gelegen restanten uit de 18e/19e eeuw?).
Conclusie
Op basis van de aangetroffen bodemopbouw, het vondstmateriaal als de diepte van de op massieve verhardingen gestaakte boringen, wordt geconcludeerd dat er binnen het plangebied nog restanten kunnen worden verwacht van een historische huisplaats/historische boerderijlocatie. Tevens moet rekening gehouden worden met meerdere potentiële archeologische niveaus. Hierbij kan het gaan om meerdere steenbouwfases uit de periode 17e eeuw t/m 20e eeuw. Een voorlopende houtbouwfase kan tevens niet worden uitgesloten, op grond van de bij meerdere boringen aangetroffen oudere bewerkte bodem/oude cultuurlaag, onder het ophogingspakket. Archeologische sporen/structuren kunnen zeker nog intact worden aangetroffen in de onderste helft van het ophogingspakket als in de plaatselijk hieronder nog aanwezige bewerkte bodem/oude cultuurlaag. De zeer hoge verwachting voor de periode Nieuwe tijd wordt in ieder geval bevestigd. Door de voorgenomen ingreep (nieuwbouw van woningen, aanleg van nutsvoorzieningen, waarbij graafwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd tot een minimale diepte van 1 m -mv) zal binnen het plangebied de mogelijk aanwezige archeologische vindplaats(en) verstoord worden.
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. De aangetroffen bodemopbouw, het verspreid over het plangebied (in de boringen) aangetroffen vondstmateriaal, de diepte van de op massieve verhardingen gestaakte boringen als de historische ontwikkeling van het plangebied, duidt op de mogelijke aanwezigheid van een historische huisplaats/historische boerderijlocatie (steen-bouwfases vanaf de 17e eeuw, voorgaande houtbouwfase kan niet worden uitgesloten). Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek gericht op de locaties waar voor de te realiseren nieuwbouwwoningen bodemverstorende ingrepen zullen gaan plaatsvinden. Wanneer er behoudenswaardige archeologie wordt aangetroffen, kan gekozen een doorstart te maken naar een definitieve opgraving (DO). Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid (gemeente Oude IJsselstreek) goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is alleen mogelijk als er archeologie-vriendelijk gebouwd wordt door niet dieper te ontgraven dan 60 cm onder het huidige maaiveld, waarmee bodemingrepen beperkt blijven tot het recent geroerde/verstoorde deel van de ophogingslagen en een bufferzone van circa 30 cm gehanteerd wordt als beschermende laag van het onderliggende onverstoorde/niet recent verstoorde deel van de oude woongrond/ophogingslagen (waarin nog in situ gelegen resten/structuren van de historische huisplaats/historische boerderijlocatie kunnen worden verwacht uit de perioden 17e tot 19e eeuw).