Laagland Archeologie heeft in augustus 2023 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Hardenbergerweg, nabij nr. 260 te Langeveen. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom nieuwbouwplannen.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van de inventarisatie kan het volgende geconcludeerd worden. Het plangebied ligt waarschijnlijk in een dalvormige laagte, die door een smeltwaterrug (esker) snijdt. Door de hoge ligging heeft een smeltwaterrug normaliter een hoge verwachting. Door de relatief lage ligging van het maaiveld in de dalvormige laagte is hier sprake van een lage verwachting. Uit geraadpleegde paleogeografische kaarten blijkt dat tussen 3850 v.Chr. en 2750 v.Chr. het plangebied en haar omgeving bedekt raakt met veen. Tussen 2750 v.Chr. en 1500 v.Chr. is het veen weer uit het plangebied verdwenen en komt niet meer terug. Het is zeker mogelijk dat veenvorming in de dalvormige laagte eerder ontstond en dat het veen zich ook langer kon handhaven.Bodemkundig ligt het gebied in een zone met haarpodzolgronden; grof zand. Of in het plangebied daadwerkelijk sprake is van een haarpodzolgrond, is twijfelachtig. Dergelijke bodemtypen ontwikkelen zich in goed ontwaterde zandgronden. Door de ligging in een dalvormige laagte is daarvan vermoedelijk geen sprake. Het is waarschijnlijker dat in het plangebied veldpodzolgronden of zelfs gooreerdgronden of vlakvaaggronden liggen.In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit de Bronstijd bekend. In historische tijden (vanaf circa 1832) werd het terrein omschreven als weiland. Het plangebied is aldoor onbebouwd geweest. Wel wordt in het plangebied rond 1988 een sportveld aangelegd. Bij de aanleg van dergelijke sportvelden vinden meestal bodemingrepen plaats om de waterhuishouding te verbeteren (grondverbetering en het plaatsen van drainagebuizen) en daarnaast wordt het maaiveld geëgaliseerd. In hoeverre daar hier sprake van is geweest is niet bekend.Op basis van de ligging in een dalvormige laagte kan een overwegend lage verwachting op archeologische resten worden aangehouden. Mogelijk zijn op de flanken van de laagte (in de noordwestelijke helft van het plangebied) nog wel resten aanwezig. Dit betreft waarschijnlijk resten uit de periode Laat-Paleolithicum tot circa het Midden-Neolithicum te verwachten (middelhoge verwachting). Resten van na circa 3850 – 2750 tot circa 1500 voor Chr. (Midden-Bronstijd) worden niet verwacht. In die periode was het terrein geheel met veen bedekt en was bewoning niet mogelijk.Het plangebied en de wijde omgeving lag na circa 1500 voor Chr. als een eiland temidden van een groot veengebied. Daarmee kunnen resten vanaf ongeveer de Midden-Bronstijd tot en met ruwweg de Vroege Middeleeuwen worden verwacht. Landschappelijk en archeologisch zijn er weinig handvaten om uitspraken te doen over menselijke aanwezigheid in deze periode in dit gebied. Daarom wordt voor wat betreft het plangebied vooralsnog uitgegaan van een middelhoge verwachting voor deze periode. Voor de delen op de esker buiten de dalvormige laagte kan een hoge verwachting worden aangehouden.Pas in de loop van de 19e eeuw ontstond het huidige Langeveen. Op oude kaarten (vanaf 1787) is het plangebied tot op heden onbebouwd gebleven. Het valt echter zeker niet uit te sluiten dat daar voor al bewoning plaatsvond, samenhangend met veenontginning. Resten van die oude bewoning zijn echter vooral op de overgang van de esker naar het toenmalige veen – dus buiten het plangebied - te verwachten. Voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd kan daarom een lage verwachting worden aangehouden.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Tijdens het booronderzoek is overwegend een AC-profiel aangetroffen. Daar waar de top van de nog intacte ondergrond binnen het plangebied het laagst ligt, is een intacte Bh-horizont met daaronder een BC-horizont gezien. Op basis van de resultaten van het booronderzoek wordt de archeologische verwachting voor alle perioden bijgesteld naar ‘laag’. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. We adviseren het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie.Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente Tubbergen. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, mevr. E. Kaptijn Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).