Eindrapportage archeologisch bureauonderzoek (18719.001) Oude IJsselweg (ong.) te Terborg

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens ligt het plangebied binnen het rivierenlandschap van de Oude IJssel. Hierbij ligt, op basis van zowel de geomorfologische kaart van Nederland als het bestudeerde hoogtebeeld, specifiek het centrale, centraal-zuidelijke, zuidoostelijke en uiterst westelijke deel van het plangebied binnen bewaard gebleven terrasvlaktes dan wel terras-restruggen van het Jonge Dryas-terras (Terras X). Mogelijk is er nog een dunne laag rivierduinzand aanwezig in het centrale, centraal-zuidelijke tot zuidoostelijke deel van het plangebied, welke op basis van het hoogtebeeld de relatief meest hooggelegen terreindelen vormen binnen het plangebied. Het westelijke deel (min of meer van zuidoost naar noordwest georiënteerde strook) ligt binnen een Jonge Dryas restgeul, waar tevens een rond begin 19e eeuw door de mens aangelegde sloot/af-watering ligt. Het noordelijke deel van het plangebied ligt binnen een terrein ligt waar tijdens het Vroeg-Holoceen een riviertak van de Rijn actief heeft gestroomd (en daar de oorspronkelijke top van het Jonge Dryas-terras heeft geërodeerd). Wellicht dat de terrasvlaktes dan wel terrasrestruggen van het Jonge Dryas-terras (Terras X) gezien werden als een voldoende geschikte locatie voor (tijdelijke) bewoning, maar de verwachting is dat de meest voorkeur uitging naar de beduidend hoger gelegen rivierduingronden verder ten zuiden als ten noordoosten van het plangebied (waar een dik pakket rivierduinzand ligt). Vandaar dat het centrale, centraal-zuidelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied (tevens conform de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Oude IJsselstreek) een middelhoge verwachting heeft op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Late-Middeleeuwen. Voor het uiterst zuidelijke deel van het plangebied wordt een lage verwachting gegeven, op basis van het hoogtebeeld (lagere ligging in vergelijking met de het centrale, centraal-zuidelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied en zal daardoor waarschijnlijk een te natte ligging hebben gehad om voldoende geschikt te zijn als bewoningslocatie). Uitgevoerd archeologisch onderzoek laat zien dat op de hoger gelegen rivierduinen antropogene activiteiten plaatsvonden vanaf mogelijk al het Meso-/Neolithicum.

Het westelijke (Jonge Dryas restgeul) als het noordelijke deel van het plangebied (waar tijdens het Vroeg-Holoceen een riviertak van de Rijn actief heeft gestroomd) vormde geen gunstige locatie voor (tijdelijke) bewoning. De lager gelegen Jonge Dryas restgeul als de Vroeg-Holocene rivierbeddingen vormde geen gunstige locatie voor (tijdelijke) bewoning. Deze landschappelijke zones zullen zeer regelmatig te kampen hebben gehad met zeer natte/drassige condities, zeker vanaf de Romeinse tijd toen het gebied van de Oude IJssel ook vaak overstroomde (en er een pakket Laat-Holocene overstromingsklei sedimenteerde, zeker binnen de restgeulen/oude rivierbeddingen). Binnen/langs de randen van restgeulen, als overgangszone van hoog naar laag en van droog naar nat met bijbe-horende biodiversiteit, is wel sprake is van een verhoogde trefkans voor resten die in verband staan met water-/rivierdalgebonden activiteiten. Waar dergelijke resten worden aan¬getroffen gaat het meestal om puntlocaties (wordt aangetroffen binnen een beperkt aantal vierkante meters met een omgeving die verder leeg is ten aanzien van archeologische waarden).

Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag. Historisch kaartmateriaal geeft aan dat in de tweede helft van de 18e eeuw het plangebied deel uitmaakte van een nog niet ontgonnen gebied en waarschijnlijk een natuurlijk nat graslandgebied betrof. Ontginning van het plangebied heeft pas plaatsgevonden aan het begin/in de eerste helft van de 19e eeuw en er zijn verder geen aanwijzingen dat binnen het plangebied historische (boeren)erven hebben gelegen.

Archeologische resten worden in het centrale, centraal-zuidelijke, zuidoostelijke en uiterst westelijke deel van het plangebied verwacht in de top van de rivierduin- dan wel de vlechtende rivierterrasafzettingen dan wel in de afdekkende laag overstromingsklei. De archeologische resten zullen hoofd-zakelijk bestaan uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. In het noordelijke en westelijke (Jonge Dryas restgeul met begin 19e eeuw aangelegde sloot/watergang) deel van het plangebied kunnen watergerelateerde resten tot op grotere diepte voorkomen binnen de meandergeul-/restgeulopvullingen (Vroeg- als Laat-Holocene overstromingsklei), binnen het westelijke deel van het plangebied (min of meer een van zuidoost naar noordwest lopende strook) tot wel 2 m -mv.

Conclusie en advies Op grond van de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting en voornamelijk gebaseerd op de landschappelijke ligging, heeft het centrale, centraal-zuidelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied nog een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische waarden uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Late-Middeleeuwen. Voor het uiterst westelijke deel wordt een lage verwachting toegewezen, op basis van het hoogtebeeld. Van een verhoogde verwachting op het voorkomen van zogenaamde watergerelateerde resten voor het westelijke (Jonge Dryas restgeul, min of meer van zuidoost naar noordwest lopende strook) en noordelijke deel van het plangebied is sprake wanneer binnen de aangrenzende, hoger gelegen terreindelen resten en/of sporen van bewoningsactiviteiten aanwezig zijn/sprake is van een in situ gelegen archeologische vindplaats. Een algemeen verhoogde verwachting geldt wel voor puntlocaties zoals bruggen, boten, voordes en verspoelde of gedeponeerde vondsten, omdat deze ook op grote afstand van bewonings-locaties kunnen voorkomen. Verder is de kans wel groot dat binnen het plangebied diepgaande agrarische bewerking heeft plaatsgevonden, waardoor mogelijk gebroken gronden zijn ontstaan en verstoringen reiken tot in de top van de top van de rivierduin- dan wel de vlechtende rivierterrasaf-zettingen (zeker waar deze op relatief geringe diepte voorkomen).

Econsultancy adviseert om in eerste instantie binnen het centrale, centraal-zuidelijke en zuidooste-lijke deel van het plangebied (circa 10 hectare, zie figuur 18) een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen te laten uitvoeren (6 boringen per hectare). Hiermee wordt inzicht verkregen van de toestand van het bodemprofiel, of er mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen aanwezigheid zijn (zichtbaar als bodemverkleuringen) en kan worden vastgesteld of er nog archeologische resten in situ te verwachten zijn en of daarmee vervolgonderzoek wel of niet noodza-kelijk is. Op basis van de resultaten van dit verkennend booronderzoek dient tevens bepaald te worden of er nog aanleiding is om in het zuidwestelijke en noordelijke deel van het plangebied aanvullend onderzoek/vervolgonderzoek te laten uitvoeren.

Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door mevrouw R. den Boer, Omgevingsdienst Achterhoek, d.d. 11 oktober 2022, zaaknummer 2022EA1229). Met het advies voor de uitvoering van een archeologisch verkennend booronderzoek wordt ingestemd, echter hierbij dient het gehele plangebied onderzocht te worden, waaronder dus ook de Jonge Dryas restgeul in het westelijke deel van het plangebied als het noordelijke deel van het plangebied (Vroeg-Holocene stroomdal van een riviertak van de Rijn). Binnen deze terreindelen (met een Archeologische Verwachting 3 op de maatregelenkaart van de gemeente Oude IJsselstreek) is niet zozeer de verwachting om archeologische vindplaatsen te herkennen, omdat het in deze watergerelateerde zone waarschijnlijk vaak om puntlocaties gaat, maar de precieze ligging van de restgeulen en de mogelijkheid van menselijke bewoning direct erlangs, dient wel te worden onderzocht. Tevens heeft ten zuidwesten van het plangebied en binnen het Vroeg-Holocene stroomdal van een riviertak van de Rijn het laatmiddeleeuwse kasteel Wisch gestaan. Dat betekent dat ook binnen dit stroomdal tijdens deze periode bewoning kan hebben plaatsgevonden. Het gehele terrein (circa 19,6 hectare) dient onderzocht te worden door middel van verkennende boringen (6 boringen per hectare).

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/EM1RZV
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/EM1RZV
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2023
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 8761831
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem