In opdracht van Stichting Nationaal Monument Kamp Amersfoort heeft RAAP van 11 tot en met 16 juli 2018 en vervolgens van 9 t/m 15 juli 2019 een archeologische opgraving uitgevoerd in het kader van het project ‘Uitbreiding herinneringscentrum Kamp Amersfoort’ in de gemeente Leusden. Voorafgaand hieraan is de trap naar een nog aanwezige kolenkelder blootgelegd en is een kijkgat gemaakt om de verdere onderzoeksstrategie te bepalen; dit is uitgevoerd op 25 juni en 2 juli 2018. Na de opgraving en documentatie zijn in juli 2019 de restanten van de aangrenzende kelder en de ingang van de tunnel –die er nog bleek te zitten- ook gedocumenteerd. Het voornaamste doel van het onderzoek was het vei-ligstellen van de wetenschappelijke informatie (behoud ex situ).Nadat deze werkzaamheden waren afgerond zijn op verschillende momenten in 2020 en 2021 nood-waarnemingen verricht. De aanleiding daarvoor was het aanleggen van kabels en leidingen op diverse plekken binnen Kamp Amersfoort. Deze werkzaamheden zijn archeologisch begeleid met hetzelfde doel als het eerdere onderzoek. De resultaten van deze noodwaarnemingen zijn beschreven in hoofdstuk 8.Historische context Het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort was een van de drie grotere kampen in Nederland. Vught en Westerbork waren de andere. Alle drie de kampen functioneerden als doorvoerkamp voor Jo-den, zigeuners, homoseksuelen en andere minderheden naar de vernietigingskampen. Kamp Amers-foort is in feite ontstaan door het samenvoegen van twee Nederlandse mobilisatiekampen: Appelweg en Amsvorde. Kamp Appelweg werd in 1939 gebouwd en bestond uit zes barakken die in een vierkant stonden. Wanneer de Duitsers het gebied overnemen worden Kamp Appelweg en Amsvorde tot een functioneel geheel gesmeed: het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort (PDA: 1941-januari 1943), later de Erweitertes Polizeigefängnis Amersfoort (EPA: mei 1943–april 1945). De opgraving richtte zich op een deel van het noordelijke bewakingskamp voor het SS-personeel. Hier stonden een arrestanten-lokaal en een garage. Medio 1944 worden deze opgenomen in een groter gebouw, dat Abteilung III of Verwaltungsgebäude genoemd werd (administratiegebouw). Verder werd dit gebouw in juni 1944 voor-zien van een uitbouw, een soort voorportaal, waar de kampcommandant kantoor hield. Onder dat ge-bouwtje zat een kolenkelder, ernaast een tweede kelder. Op deze sloot een tunnel aan die een verbin-ding vormde naar het gevangenenkamp. Hierdoor kon personeel zich sneller van het ene naar het an-dere deel begeven zonder dat de grotere poort open hoefde, mogelijk ook om sneller de schuilkelder (Heldenkeller) te kunnen bereiken.Bodem De bij de opgraving aangetroffen laagopvolging weerspiegelt de gebruiksgeschiedenis van het terrein. Opvallend is dat de ondergrond met daarin gevormde podzol –oude bosbodem- deels nog aanwezig lijkt te zijn. Waarschijnlijk is er in het gebied een eerdlaag aanwezig geweest die grotendeels omgezet is. Hierop ligt een dikke laag die het best als ‘slooplaag’ kan worden gekarakteriseerd. Het betreft een zandlaag waar een grote hoeveelheid puin doorheen zit: bakstenen, beton, metaal etc.Aangetroffen sporen Er zijn 43 spoornummers uitgedeeld, waarvan meerdere nummers aan muren van beide kelders, de trap naar de kolenkelder en de tunnel. De meeste aangetroffen sporen dateren uit de Tweede Wereld-oorlog of van kort ervoor, de tijd van het mobilisatiekamp. Spoor 26 t/m 32 zijn naoorlogs, dit betreffen de paalsporen van de betonnen fundamenten van de metalen geleiders voor de rozenstruiken in de ro-zentuin. Er zijn twee kelders en een tunnel aangetroffen, die beide tot het Verwaltungsgebäude beho-ren. De tunnel vormde de verbinding tussen dat gebouw en het gevangenenkamp. Onder de zuidooste-lijke uitbouw van het Verwaltungsgebäude, het kantoortje van commandant Berg (de Schreibstube), lag een kolenkelder. Daarnaast lag een tweede kelder, de vermoedelijke Heldenkeller. Het is op deze kel-der dat de tunnel uitkomt. Er zijn naast de kelder en tunnel tijdens de opgraving vooral muren, poeren en uitbraaksleuven aangetroffen, die alle deel lijken uit te maken van het Verwaltungsgebäude, of de afbraak hiervan.Het is mogelijk dat een deel van deze fundamenten ouder is dan de verbouwing van medio 1944 en hergebruikt is. Er blijkt een groot verschil in de gaafheid van de resten in het noordelijke en zuidelijke deel van de opgraving. Dit kan enerzijds te maken hebben met een verschil in de intensiteit van de sloop, maar anderzijds ook met een andere –ondiepere- manier van funderen. Dat noordelijk deel valt namelijk samen met de locatie van het gebouw van voor medio 1944. Mogelijk zijn bij de bouwwerk-zaamheden de oude fundamenten hergebruikt terwijl in het zuidelijk deel nieuwe zwaardere fundamen-ten werden aangebracht. In het noordelijk deel zijn een hemelwaterafvoer, stookplaats, smeerput en wegdek aangetroffen.Vondsten Er zijn 13 vondstnummers uitgedeeld aan in totaal 94 vondsten, vrijwel alle uit secundaire context. Dat wil zeggen dat ze afkomstig zijn uit de slooplaag, de stort of de volgestorte kelders, smeerput en tun-nel. De contextuele waarde van de vondsten is daarmee niet bijzonder hoog, in tegenstelling tot de her-inneringswaarde. De meeste vondsten dateren uit de kamptijd en vormen daarmee stille getuigen van een pijnlijk verleden. Ook is graffiti in de kelders gedocumenteerd. Deze lijken naoorlogs.Conclusie noodwaarnemingen 2020/2021 Bij de noodwaarnemingen is geconstateerd dat de bodem ter plaatse voor een groot deel verstoord was. Deze verstoring is veroorzaakt door recente bodemingrepen. Maar ook bodemingrepen die een relatie hebben met de historie van het terrein zullen verantwoordelijk zijn voor verstoring van de bo-dem. Buiten deze verstoorde delen is telkens een min of meer intacte podzolbodem aangetroffen. Bij de noodwaarnemingen zijn resten gevonden die aan de bebouwing van Kamp Amersfoort gerela-teerd kunnen worden. Dit betreft een fundering van een barak en een waterput direct naast de lijkenbe-waarplaats. Er werden echter ook twee oudere sporen gevonden: een smalle greppel en een paalkuil. Vanwege de stratigrafische positie en/of de homogene vulling van de sporen zijn deze in de periode prehistorie tot en met de middeleeuwen gedateerd. Een meer nauwkeurige datering was niet mogelijk vanwege het ontbreken van vondsten in de sporen.