Op grond van de bodemopbouw zoals beschreven in paragraaf 2.1, kan de archeologischeverwachting nader worden gespecificeerd. Uitgangspunt hierbij is datarcheologische resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum voornamelijk inde A-horizont van het dekzand zijn te verwachten. Hierbij moet worden gedachtaan artefacten en afslagen van vuursteen en houtskool, die rondom bewoningsplaatsenop het maaiveld terecht zijn gekomen. Voor de delen waar een mineraleA-horizont is aangetroffen, kan worden gesteld dat er een hoge verwachting bestaatvoor sporen uit bovengenoemde periodes. Waar de A-horizont wordt afgedekt dooreen klei- en/of veendek is de kans op in situ gelegen archeologica het grootst, metname op de zuidwestelijke flank van de dekzandrug, omdat deze qua zon de bestebivak-locatie bood. Waar het dekzand direct aan het maaiveld ligt is de A-horizontten dele verploegd, waardoor archeologische resten uit hun oorspronkelijk contextverplaatst kunnen zijn. Op de delen waar het podzolprofiel is afgetopt (boringen 3,7, 8 en 41), is de kans op het aantreffen van archeologische resten klein. Op de terreindelenwaar een minerale A-horizont ontbreekt, is de kans op het aantreffen vanarcheologica eveneens klein, omdat het hier dermate nat is geweest dat het terreinongeschikt was om een kamp op te slaan.In relatie tot de archeologische verwachting kan het volgende worden gezegd aangaandede geplande werkzaamheden, zoals weergegeven in afbeelding 2 en 8. Uitgangspunthierbij is dat de A-horizont van het dekzand intact blijft:Aan te leggen slenkDe aan te leggen slenk in het centrale deel van de onderzoekslocatie is bedoeldom het aanwezige reli¨ef te accentueren. In de voorgestelde ori¨entatie valt de slenkvoor een groot deel over het terreindeel waar het dekzand aan het maaiveld komtof waar een volledig podzolprofiel wordt afgedekt door klei/veen. Het graven vande slenk op deze locatie zal hierdoor leiden tot verstoring van het archeologischarchief. Dit zou ondervangen kunnen worden door de ori¨entatie te veranderen vanWZW–ONO naar NW–ZO.Uit te diepen zodjesHet uitdiepen van de zodjes vormt geen bedreiging voor het archeologisch archief,zolang niet tot in het zand wordt gegraven. Dit geldt ook voor het zodje dat tenzuiden van boringen 7 en 8 is gelegen. Alhoewel het lijkt dat deze is gelegen inhet gedeelte waar dekzand aan het maaiveld voorkomt (afb. 8), wordt dit beeldopgewekt doordat de boorraai hier langs het zodje heen loopt. Gezien de overeenkomstenwat betreft maaiveldhoogte en vegetatie met het zodje waarin boring 11is geplaatst, als ook het feit dat het hier in het verleden al veen is gewonnen, is hetaannemelijk dat hier ook sprake is van een venige opvulling.Af te plaggen terreindeelZoals ook voor de slenk geldt, is op een deel van het terrein dat wordt afgeplagdhet dekzand aan het maaiveld aanwezig. Afplaggen op deze terreindelen heeft duseveneens tot gevolg dat het archeologisch archief wordt verstoord, met name omdatarcheologische resten in de A-horizont worden verwacht welke door afplagging zalverdwijnen.Te herprofileren slotenBij het herprofileren van de vier noordelijke sloten binnen de onderzoekslocatiezal in het geval van de twee meest zuidelijke sloten tot in het dekzand wordengegraven, waarbij dus het bodemarchief wordt verstoord. Bij de twee noordelijkesloten ligt het dekzand op een dusdanige diepte dat geen verstoring optreedt.
Issued: 24 juli 2008