Gespecificeerde archeologische verwachting
Vanuit het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m de IJzertijd. Vanaf het (Laat-)Paleolithicum t/m het Laat-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars en Vroege-Landbouwers) had het plangebied een ligging binnen vlechtende riviervlakte (Laatpleniglaciale terras) overgaand naar een ligging binnen een komgebied. Vanaf het Vroeg-Neolithicum zal het gehele plangebied steeds verder bedekt of begroeit zijn geraakt met respectievelijk (kom)kleiafzettingen en veen. Vanaf de Vroeg Romeinse tijd kwam het plangebied te liggen binnen de Almkerk stroomgordel, welke verder actief van circa 33 tot 1060 na Chr. (Vroeg Romeinse tijd t/m begin Late Middeleeuwen). Met de ontwikkeling van de Almkerk stroomgordel zal naar verwachting vanaf de Midden Romeinse tijd het plangebied geschikt zijn geweest voor bewoning. Reeds uitgevoerd archeologisch heeft tot op heden niet geleid in het aantreffen van archeologische bewoningssporen op onderzochte locaties binnen de (oeverwalzone van) de Almkerk stroomgordel. Wel is circa 400 meter ten oosten van het plangebied een restant van een houten constructie van een vlonder of steiger die waarschijnlijk gefunctioneerd heeft in de periode voordat de Sint-Elisabethsvloed in 1421 plaatsvond. Voor perioden Romeinse tijd en Middeleeuwen is daarom de verwachting middelhoog. Tijdens de Sint-Elisabethsvloed van 1421 raakte het plangebied overstroomd en kreeg specifiek een ligging binnen de randzones van het gevormde estuarium/de gevormde getijdendelta, waar het rivierenlandschap is afgedekt door een relatief dunne laag getijdenklei. De randzones viel al vrij snel na de vloed droog, waarna de zogenaamde aanwassen al snel weer door de mens ingepolderd en ontgonnen werden. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft geen aanwijzingen dat er vanaf de 18e eeuw binnen het plangebied historische bebouwing heeft gestaan. Het heeft langdurig een agrarisch gebruik gekend tot het ontstaan van het erf aan de Schenkeldijk 4 in de tweede helft van de 20e eeuw. Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting dan ook laag.
Het plangebied is grotendeels bebouwd met een in 2022 afgebrande loods/schuur. Beschikbare gegevens uit de bouwvergunningen laten zien dat het merendeel van de bebouwde oppervlakte van de loods/schuur voorzien is van diepe mestkelders/mestputten, waarvoor ontgravingen hebben plaatsgevonden tot wel 280 cm -mv. Ten behoeve van de aanleg van deze bebouwing zal de bodem minimaal tot deze diepte zijn afgegraven en dus een verstoring van het oorspronkelijk bodemprofiel hebben veroorzaakt, in ieder geval binnen de bebouwde oppervlakte van het plangebied. Het is echter zeer waarschijnlijk dat voor het verdiepte gedeelte van de afgebrande loods/schuur de naastgelegen onbebouwde stroken ook zijn ontgraven, om daarmee voldoende werkruimte te hebben om de onderkeldering/mestkelders/mestputten te kunnen aanleggen. Dit geldt waarschijnlijk ook voor het zuidelijke gedeelte van de afgebrande loods/schuur (waar verder funderingen/mestgruppen liggen tot een diepte van circa 0,95 cm -mv). Met deze verstoringsdieptes zal het te verwachten pakket oever-/kronkelwaardafzettingen van de Almkerk stroomgordel binnen het plangebied al vergraven zijn, zeker de top van deze afzettingen. Hierdoor worden eventueel voorheen aanwezige resten uit de perioden Romeinse tijd en/of Middeleeuwen (op basis van de nog middelhoge verwachting) niet meer in onverstoorde context (ligging in situ) verwacht.
Conclusie
Op basis van het gespecificeerde archeologisch verwachtingsmodel, opgesteld door middel van het uitgevoerde bureauonderzoek, geldt voor het plangebied alleen een middelhoge verwachting voor de perioden Romeinse tijd en Middeleeuwen en voor de overige perioden een lage verwachting. Resten uit de perioden Romeinse tijd en Middeleeuwen worden op basis van de landschappelijke ontwikkeling verwacht tussen circa 0,5 en 1,5 meter ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld. Voor de bouw en uitbreiding van de in 2022 afgebrande schuur/loods blijkt dat er reeds diepgaande ontgravingen zijn uitgevoerd, waarbij ondergrondse delen zijn aangelegd tot wel 2,8 m -mv. Ook is het zeer waarschijnlijk dat voor het verdiepte gedeelte van de afgebrande loods/schuur de naastgelegen onbebouwde stroken ook zijn ontgraven, om daarmee voldoende werkruimte te hebben om de onderkeldering/mestkelders/mestputten te kunnen aanleggen. Er wordt dat ook geconcludeerd dat in situ gelegen archeologische resten niet meer worden verwacht binnen de begrenzing van het plangebied.
Advies
Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen aanvullend onderzoek/vervolgonderzoek te laten plaatsvinden.
Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Altena, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door mevr. drs. L. Korsthorst, d.d. 6 augustus 2024). Met bovenstaand advies is ingestemd.
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het is raadzaam om ook de bevoegde overheid (gemeente Altena) op de hoogte te stellen.