Boren in het onbekende: onderzoek naar het paleolandschap en prehistorische bewoning op bedrijvenpark Het Klooster , gemeente Nieuwegein; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (karterend booronderzoek met monstername) Boren in het onbekende: onderzoek naar het paleolandschap en prehistorische bewoning op bedrijvenpark Het Klooster , gemeente Nieuwegein; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (karterend booronderzoek met monstername)

DOI

In opdracht van de gemeente Nieuwegein heeft RAAP in de perioden juni - september 2016, mei 2017 en januari 2018 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (karterend booronderzoek met monstername) uitgevoerd binnen het plangebied bedrijvenpark Het Klooster in de gemeente Nieuwegein. In het verleden is na verschillende inventariserende veldonderzoeken op Het Klooster in eerste instantie gekozen voor in-situ-behoud van archeologische waarden. In de praktijk blijkt echter dat de aanwezige potentieel archeologische niveaus niet op deze manier beschermd kunnen worden.Omdat de gemeente Nieuwegein de toekomstige bouwkavels bouwrijp wil verkopen, en omdat er een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld voor het gebied, heeft begin 2016 een inventarisatie van archeologische waarden plaatsgevonden. Deze synthese van verschillende onderzoeken is vastgelegd in Sprangers (2016). Op grond van de resultaten daarvan is geconcludeerd in de ondergrond mogelijk belangrijke archeologische waarden aanwezig zijn. Het gaat om bewoningsresten en -sporen uit het Meso- en Neolithicum die zich in de top van het dekzand en de stroomgordel - en crevasseafzettingen van de Wiersch kunnen bevinden.Het primaire doel van huidige karterend onderzoek is het opsporen van archeologische resten en het begrenzen van kansrijke zones voor het daadwerkelijk aantreffen van vindplaatsen. Specifiek is onderzoek gedaan naar vindplaatsen vanaf een oppervlakte van 125 m2 op de dekzandopduikingen en in de top van oeverafzettingen (van crevasses) van de Wierschstroomgordel. In het onderzoeksgebied is geboord in een grid van 10 x 12,5 m. In totaal zijn 1917 boorlocaties onderzocht, 3515 boringen gezet en 959 grondmonsters genomen.Zowel in de top van de oeverafzettingen van de Wierschstroomgordel, de oeverafzettingen van de crevasse als in de top van het dekzand zijn archeologische indicatoren aangetoond die met prehistorische bewoning/activiteit geassocieerd kunnen worden: houtskool, verbrand en onverbrand bot, aardewerk, (bewerkt en onbewerkt) vuursteen en (on)verbrande organische resten (bijv. zaden).Op grond van ruimtelijke spreiding, het type indicator (hard of zacht) en landschappelijke setting zijn 22 locaties als vindplaats (nederzetting) of activiteitszone gedefinieerd. Vindplaatsen die dateren in het Neolithicum zijn aangetroffen in de top van de oeverafzettingen van de Wiersch. Gemiddeld liggen de vindplaatsen tussen 1,3 en 1,7 m NAP. Vindplaatsen aangetroffen in de top van het dekzand bevinden zich vanaf 1,9 m -NAP (waarvan op twee locaties fragmenten aardewerk op 2,4 m NAP), tot een diepte van 4,8 m -NAP. Vindplaatsen daterend in het (Laat ) Mesolithicum kunnen zich tussen 1,9 en 4,8 m NAP bevinden; vindplaatsen daterend in het Neolithicum bevinden zich tussen 1,9 en 2,4 m NAP.Hoewel op basis van de datering van de stroomgordel, en dus ook de vindplaatsen hierop, mogelijk al in het Mesolithicum kan worden bewoond / bezocht, wordt prehistorische bewoning op basis van het voorkomen van aardewerk vooralsnog geassocieerd met de Swifterbantcultuur. De Swifterbantcultuur wordt zeer belangrijk geacht omdat deze verband houdt met de overgang van de leefwijze als jager en verzamelaar naar een boerenbestaan. Vindplaatsen uit deze periode zijn in het rivierengebied, maar ook daarbuiten, een zeldzaam fenomeen. De vindplaatsen in het dekzand die uit enkel een spreiding van verbrand bot en vuursteen bestaan, en bovendien dieper dan 4,0 m NAP gelegen zijn, zullen vanwege deze diepteligging dateren in ten minste het (Laat) Mesolithicum.Omdat tot nu toe weinig tot niets bekend is over de Steentijd in het (Utrechtse) rivierengebied, is duidelijk dat mogelijke vindplaatsen uniek in zijn soort zullen zijn en daardoor van grote waarde voor het cultureel erfgoed. Niet te vergeten dat het hier kan gaan om de sporen van de eerste bewoners van de huidige gemeente Nieuwegein. In het algemene zin heeft het de voorkeur om, conform rijks en provinciaal beleid, te streven naar behoud van archeologische resten in de huidige context (behoud in situ). Concreet gezegd heeft planaanpassing de voorkeur boven archeologisch onderzoek. Indien behoud in situ niet haalbaar of niet wenselijk is, komt archeologisch vervolgonderzoek aan de orde. Dit kan uiteindelijk leiden tot een opgraving waarbij de archeologische waarden zo goed mogelijk worden opgegraven en gedocumenteerd (?behoud ex situ?).Voor de nederzettingen (vindplaatsen NGKL4 09, 14, 17 en 20) wordt bij bedreiging aanbevolen om een proefsleuvenonderzoek (IVO P) te laten uitvoeren. Dit kan bestaan uit een getrapte aanpak, waarbij niet de gehele zone in één keer wordt onderzocht, maar waarbij begonnen wordt op de meest kansrijke locaties (vondstconcentraties) binnen de zones. Afhankelijk van de uitkomsten op deze locaties kan besloten worden of het noodzakelijk is om de proefsleuven uit te breiden (bijvoorbeeld naar de periferie NGKL4 15 en 16), of dat het onderzoek kan stoppen. Met deze aanpak wordt beoogd dat niet onevenredig veel tijd en geld wordt gestoken in onnodig onderzoek. Deze aanpak vereist een evaluatie- en een beslismoment (door het bevoegd gezag), inclusief een waardestelling op grond van de onderzoeksresultaten.Dieper gelegen vindplaatsen op het dekzand kunnen ook (eerst) worden onderzocht door middel van een waarderend mechanisch booronderzoek (NGKL4 14, 15, en 16).Verder wordt voorgesteld om parallel hieraan alle activiteitszones en enkele minder kansrijke locaties te onderzoeken door middel van een aanvullend profielputtenonderzoek, indien deze worden bedreigd door toekomstige werkzaamheden. Doel van het onderzoek is om op een zo efficiënt mogelijke manier vast te stellen of op de (mogelijke) activiteitszones inderdaad sprake is van Steentijdvindplaatsen en deze te dateren (door middel van het verzamelen van eventueel aanwezige grotere en dateerbare artefacten).Op basis van het advies in onderhavige rapportage neemt de gemeente Nieuwegein uiteindelijk het definitieve besluit over het vervolgtraject. Met betrekking tot de bevindingen dient contact opgenomen te worden met de gemeente Nieuwegein (mevrouw E. Sleijpen).

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-zmx-zk8w
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-zmx-zk8w
Provenance
Creator J. Sprangers
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor R.C.B. Steenbak
Publication Year 2024
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact R.C.B. Steenbak (Provincie Noord-Brabant)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; image/jpeg; application/zip; application/gml+xml; text/plain; application/pdf; application/vnd.openxmlformats-officedocument.spreadsheetml.sheet; application/octet-stream
Size 11045224; 1749405; 3512; 9836; 3307; 2406; 10274486; 28539; 5110; 1751642; 595351; 608443; 1574470; 8294; 72460; 277676; 144940; 805312; 62033; 5215636; 3281723; 167111; 23676; 10121; 4409; 1384517; 3882; 1979; 13117; 8397; 2676333; 19357763; 633802; 404598; 18578; 544726; 1226291
Version 1.0
Discipline Humanities