Schijndel Waterproductiebedrijf 220623_A22013_BU_IVO-O_02

DOI

In opdracht van Brabant Water N.V. is door Bodac B.V. een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen realisatie van drie nieuwe waterwinputten. Het plangebied voor het bureauonderzoek omvat drie percelen, allen in bezit van Brabant Water N.V., en is aanzienlijk groter dan de geplande werkzaamheden. Hiervoor is gekozen ten behoeve van de duurzaamheid van het bureauonderzoek, met het oog op toekomstige ontwikkelingen binnen deze percelen. Tijdens het bureauonderzoek zijn de huidige situatie, de toekomstige situatie, de landschappelijke situatie, de bekende archeologische gegevens uit de omgeving en de historische situatie van het projectgebied onderzocht aan de hand van geschreven bronnen en kaartmateriaal. Door middel van een synthese van de onderzochte gegevens is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld en onderzocht of de verwachte archeologische waarden door de voorgenomen ingreep bedreigd worden.Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: Zijn archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is de specifieke archeologische verwachting (ligging, datering, aard, conserveringstoestand, enzovoort)? Worden deze archeologische resten bedreigd door de voorgenomen ingrepen? Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van archeologisch vervolgonderzoek kan worden geadviseerd? In welke delen van het plangebied moet bij toekomstige ontwikkelingen archeologisch vervolgonderzoek plaatsvinden?Het bureauonderzoek heeft duidelijk gemaakt dat er een kans is op archeologische waarden binnen bepaalde delen van het plangebied. Hierbij zijn drie zones vastgesteld. Zone 1 beslaat het zuidoostelijke gebied van het plangebied. Voor deze zone is een hoge archeologische verwachting voor resten uit het Jong-Paleolithicum tot en met de IJzertijd, een middelhoge verwachting voor resten uit de Romeinse tijd tot en met de 17e eeuw en een lage verwachting voor resten uit de 18e eeuw tot en met de Nieuwe tijd vastgesteld. Zone 2 is gelegen aan de westelijke grens van het noordelijke deel van het plangebied. Voor deze zone is een middelhoge verwachting voor resten uit het Jong-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen en een lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd vastgesteld. Zone 3 beslaat het overgrote deel van het plangebied. Net als in de verstoorde zones geldt in zone 3 een lage archeologische verwachting voor resten uit alle periodes. Het bureauonderzoek concludeerde dat er niet voldoende informatie was over verstoringen veroorzaakt door landbouwgebruik. Daarom heeft Bodac een verkennend booronderzoek uitgevoerd voor twee locaties waar de opdrachtgever voornemens is nieuwe winputten te realiseren binnen verwachtingszone 1 (winput PP027) en 2 (winput PP029). In verwachtingszone 3 was geen vervolgonderzoek noodzakelijk.Het verkennend archeologisch booronderzoek heeft als doel om door middel van boringen de ontstaansgeschiedenis, aard, topografie, morfologie en bodemvormende processen van de ondergrond in het plangebied in kaart te brengen. Aan de hand van de resultaten van het verkennend archeologisch booronderzoek wordt de mate van intactheid van de bodem en de daarmee samenhangende archeologische potentie van het plangebied bepaald. Ten behoeve van het landschappelijk bodemonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: Wat is de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van de ondergrond in het plangebied? In hoeverre is deze opbouw nog intact? Hoe verhoudt de in het veld waargenomen bodemopbouw zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en NAP? Alhoewel niet het doel van een verkennend archeologisch booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen?Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn zij aangetroffen? Wat is de ruimtelijke spreiding van de indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? Worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen ingrepen? Is het plangebied voldoende onderzocht en zo niet, welke vorm vervolgonderzoek wordt geadviseerd?Uit het verkennende booronderzoek is gebleken dat de bodem binnen het onderzoeksgebied niet zo nat is als vooraf verwacht. Er zijn aanwijzingen aangetroffen die duidelijk maken dat de oorspronkelijke bodemopbouw tijdens ontwikkelingen in de 20e eeuw tot in de C-horizont is verstoord. Op basis hiervan is de archeologische verwachting voor resten uit het Jong-Paleolithicum en Mesolithicum bijgesteld naar een lage verwachting. Voor de andere periodes wordt de verwachting zoals deze is vastgesteld in het bureauonderzoek in stand gehouden. Echter wordt de intactheid van de vindplaatsen wel naar beneden bijgesteld. De verstoring tot in de C-horizont houdt in dat ook vondsten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd niet meer intact aanwezig zullen zijn. Ook wordt verwacht dat ondiepe sporen en de bovenkant van diepe sporen verloren zijn gegaan ten gevolge van de verstoring. Eventueel aanwezige archeologische resten zullen naar verwachting voornamelijk bestaan uit diepere sporen zoals grote paalkuilen, waterputten en perceelsgreppels. Deze bijgestelde verwachting geldt enkel voor het onderzoeksgebied van het verkennend booronderzoek. Het advies van Bodac is om binnen het onderzoeksgebied van het verkennend booronderzoek vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een archeologische begeleiding variant proefsleuven voor alle werkzaamheden binnen zone 1 en 2, die de bodem meer dan 50 centimeter onder maaiveld verstoren (Figuur 16). Het is nog niet bekend tot welke diepte de egalisatie van de bodem en verwijdering van beplanting, ten behoeve van de aanleg van het boorplateau, de bodem zal verstoren. Bodac adviseerd om boomstobben te frezen zodat eventuele archeologische resten niet worden verstoord. Wanneer bij egalisatie van het terrein de bodem dieper dan 50 centimeter onder maaiveld wordt verstoord, zullen deze werkzaamheden archeologisch moeten worden begeleid. De aanleg van de winputkelder, het winput plateau en de kabels en leidingen, zullen de bodem tot grotere diepte verstoren en moeten archeologisch worden begeleid. De aan te leggen paden zullen de bodem tot slechts 30 centimeter onder maaiveld verstoren. De locatie van deze verstoring komt echter overeen met de locaties van de te leggen kabels en leidingen, welke de bodem dieper verstoren.Bij toekomstige werkzaamheden binnen de in het bureauonderzoek vastgestelde zone 1 en 2 zal een nieuw advies voor vervolgonderzoek moeten worden opgesteld.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-284-rz2j
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-284-rz2j
Provenance
Creator Y. Raczynski-Henk
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor R.C.B. Steenbak; Bodac
Publication Year 2024
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact R.C.B. Steenbak (Provincie Noord-Brabant)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf; application/x-msaccess; application/gml+xml; application/zip; text/xml
Size 2634665; 93249; 15306251; 2330624; 120127; 4918; 21971; 306571; 2231; 34918; 3421
Version 1.0
Discipline Humanities