Eindrapportage archeologisch verkennend booronderzoek (19256.007) Patrijsweg 5 t m 19 te Berg en Dal

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van het in augustus 2022 uitgevoerde bureauonderzoek blijkt dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Voor de archeologische perioden Paleolithicum, Mesolithicum, Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd en Vroege-Middeleeuwen heeft het plangebied een middelhoge verwachting gekregen. Voor de perioden Romeinse tijd, Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt een hoge archeologische verwachting. Daarnaast is de kans op het aantreffen van sporen uit de Tweede Wereldoorlog hoog. Het plangebied ligt op een stuwwalplateau wat, als hoger gelegen gebied een gunstige ligging had voor tijdelijke bewoning in het Paleolithicum en Mesolithicum. Er zijn echter in de omgeving van het plangebied geen aanwijzingen in de vorm van archeologische vondsten en sporen aangetroffen, welke erop wijzen dat in deze perioden daadwerkelijk mensen rond het plangebied (tijdelijk) hebben gewoond. Ook voor Landbouwers vormde het stuwwalplateau gedurende de perioden vanaf het Neolithicum t/m de Vroege-Middeleeuwen een aantrekkelijke vestigingsplaats, met van nature mineralogisch rijke en goed gedraineerde gronden die geschikt waren voor de akkerbouw. Echter ook voor deze perioden (met uitzondering van de Romeinse tijd) zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen in de omgeving van het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn verder archeologische indicatoren aangetroffen daterend uit de Late-Middeleeuwen. Zo zijn er resten van een versterking aangetroffen. Het gebied blijkt in de Late-Middeleeuwen bewoond te zijn geweest. In de Nieuwe tijd is het plangebied in gebruik geweest als akkerland, daarnaast is er in de omgeving gedurende de Tweede Wereldoorlog hevig gevochten. Resten van akkerbouw én van de Tweede Wereldoorlog kunnen worden teruggevonden. Geadviseerd is een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek, met als doel het vaststellen van het oorspronkelijk bodemprofiel en het op basis van de omvang van de bodemverstoring definiëren van kansarme en kansrijke zones.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten over het algemeen een merendeels intact bodemopbouw zien binnen (de onbebouwde delen van) het plangebied. Onder een gemiddeld 40 cm -mv dikke huidige/bewerkte bouwvoor (Ap-horizont) is van de van nature gevormde holtpodzolbodem/bruine bosgrond nog vaak een deel van de verwerings-/verbruinings-Bws-horizont aanwezig die geleidelijk overgaat naar de overgangs-BC-horizont. Vanaf circa 80 cm -mv vindt de overgang plaats naar de C-horizont. In het noordwestelijke deel van het plangebied is vanaf het maaiveld nog een laag opgebrachte grond aanwezig tot maximaal 45 cm -mv, maar ook hieronder is de oorspronkelijke holtpodzolbodem/bruine bosgrond nog merendeels intact aanwezig. Bij slechts één boring is een verstoorde bodemopbouw aangetroffen tot circa 105 cm.

Op basis van deze bodemopbouw zal het archeologisch potentiële vondstniveau binnen het plangebied zijn verstoord. Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars, welke voornamelijk bestaan uit strooiingen van fragmenten vuursteen en (beperkt voorkomen van) ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke bodem, zullen waarschijnlijk al verloren zijn gegaan (geen in situ gelegen strooiing van fragmenten vuursteen). Het archeologisch potentiële sporenniveau is nog wel (merendeels) intact aanwezig is. Archeologische (bewonings)sporen van permanente bewoning (landbouwers), indien aanwezig, kunnen deels intact direct onder de huidige/bewerkte bouwvoor in de Bws-horizont worden aangetroffen en zullen meest zichtbaar zijn in de BC-horizont en de overgang naar de C-horizont.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat de middelhoge tot hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten en sporen uit de perioden Neolithicum t/m de Nieuwe tijd in ieder geval behouden blijft. Voor vuur-steensites uit de perioden (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum wordt de kans klein geacht om deze nog (deels) intact aan te treffen en kan de verwachting bijgesteld worden naar een lage verwachting. Archeologische sporen en in situ gelegen resten van Landbouwers kunnen direct onder de huidige/bewerkte bouwvoor (gemiddeld 40 cm dik) worden aangetroffen. Archeologische sporen zullen meest duidelijk zichtbaar zijn in de BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont, op een diepte tussen circa 60 en 80 cm -mv. Mocht er worden overgegaan tot het realiseren van nieuwbouwwoningen, waarbij gebouwd gaat worden “op staal” (staalfundering op het gele zand (top van de C-horizont)), zullen eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. Vervolgonderzoek zal binnen het plangebied bij deze ontwikkelingen dan ook noodzakelijk zijn.

Binnen de oppervlakte van de huidige bebouwing (acht woningen) is het archeologisch potentiële sporenniveau al wel verstoord/vergraven. Hier hebben voor de aanleg van bouwkuipen en een strook-/sleuvenfundering (beton) tot circa 110 cm -mv reeds verstoringen/ontgravingen plaatsgevonden tot zeker 30 cm in de oorspronkelijke top van de C-horizont.

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO-O) wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het gehele plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren, mocht er daadwerkelijk worden overgegaan tot het realiseren van nieuwbouwwoningen. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek. Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is alleen mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt door niet dieper te ontgraven dan de door de bevoegde overheid aangegeven vrijstellingsdiepte van 40 cm onder het huidige maaiveld (bijvoorbeeld door het plangebied/de te bebouwen terreindelen op te hogen). In de praktijk zal dit lastig uitvoerbaar zijn, gezien de wens te gaan bouwen op de vaste ondergrond (‘bouwen op geel zand’) en het aanleggen van nieuwe nutsvoorzieningen (waarvoor sleuven zullen worden uitgraven).

Binnen de oppervlakte van de huidige bebouwing (acht woningen) wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht, op basis van de verwachte verstoringen/ontgravingen tot zeker 30 cm in de in de oorspronkelijke top van de C-horizont.

Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Berg en Dal, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door mevrouw E.K. Mietes, regioarcheoloog regio Nijmegen, d.d. 13 september 2023). Met bovenstaand advies wordt ingestemd.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/9OAEOA
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/9OAEOA
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2023
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 3587610
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem