Synthegra B.V. heeft in opdracht van bedrijf XXX een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een verkennend booronderzoek uitgevoerd op een terrein aan De Slingeweg 20 te Winterswijk. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van een waterspeeltuin. De toekomstige bodemverstoring bedraagt 5360 m2 met een maximale diepte van 1,5 meter beneden maaiveld. De bodem zal waarschijnlijk tot ver in het archeologische niveau worden verstoord. Eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen daarbij verloren gaan
Op basis van het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Het plangebied ligt op een dekzandrug met daarin een veldpodzolgrond. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Voor het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum geldt een middelmatige verwachting. Hoewel een dekzandrug een populaire woonplaats was, liggen er in de omgeving van het plangebied meerdere (hoger gelegen) dekzandkopjes, waardoor deze waarschijnlijk een betere woonplaats boden. Bovendien zijn er in de omgeving van het plangebied geen resten bekend uit deze periodes, en is in de meeste onderzoeken geen sprake meer van intacte bodemhorizonten (waarin resten uit deze periodes worden verwacht). Hierdoor geldt een middelmatige kans. Voor de periode Neolithicum tot en met de Middeleeuwen geldt een middelmatige verwachting. Ook hier geldt dat hoewel het gebied op een dekzandrug ligt, de nabijgelegen dekzandkopjes een betere woonplaats boden, en dat er geen archeologische resten uit deze periodes bekend zijn in de omgeving van het plangebied. Aangezien resten uit deze periodes echter tot diep in de C-horizont kunnen reiken, kunnen deze ook als er sprake is van een verstoorde bodem nog aanwezig zijn. Daarom een middelmatige verwachting.
Voor de Nieuwe Tijd geldt een middelhoge verwachting. Ook hier geldt dat hoewel het gebied op een dekzandrug ligt, de nabijgelegen dekzandkopjes een betere woonplaats boden, en dat er geen archeologische resten uit deze periodes bekend zijn in de omgeving van het plangebied. Aangezien resten uit deze periodes
echter tot diep in de C-horizont kunnen reiken, kunnen deze ook als er sprake is van een verstoorde bodem nog aanwezig zijn. Daar komt bij op dat het plangebied zich direct naast een historisch erf bevindt. Hoewel er geen bebouwing van dit erf in het plangebied aanwezig is geweest vanaf de 19e eeuw, kunnen er nog wel
voorgangers worden aangetroffen en mogelijk ook sporen en vondsten die met het erf samenhangen, bijvoorbeeld sporen van een schuurtje. Daarom een middelhoge verwachting. Bodemgaafheid: op basis van de bekende waarden is het mogelijk dat de aanwezige veldpodzol (deels) verstoord is, aangezien bij een boring in het plangebied geen intacte bodemhorizonten zijn aangetroffen.
Het natuurlijke bodemtype is in het hele plangebied verstoord door ploeg- of graafwerkzaamheden. Vuursteenvindplaatsen bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, en bevinden zich in de bovengrond van de oorspronkelijke podzolgrond. Aangezien de bodem is verstoord, zijn eventueel aanwezige vuursteenvindplaatsen verloren gegaan. Nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken en zijn mogelijk nog intact. Het plangebied betreft echter een relatief laag (en daardoor
waarschijnlijk nat) gebied in vergelijking met de omgeving van het plangebied. Verder kwam de hoge verwachting voort uit het historische gebouw in de noordwestelijke hoek en de hogere ligging in het noordoostelijke deel. Echter bleek uit het bureauonderzoek al dat dit gebouw net buiten het plangebied lag,
en bleek tijdens het veldonderzoek dat het hoger gelegen deel ook net buiten het plangebied valt. Hierdoor wordt de kans op archeologische resten binnen het plangebied laag geacht.
Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied zoals omschreven in de vergunningsaanvraag geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Bovenstaande vormt een selectieadvies. Met nadruk willen wij de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies
nog niet betekent dat in deze fase van het vergunningsverleningstraject reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek dienen vooraleerst te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Winterswijk). Deze neemt een definitief selectiebesluit aangaande de vrijgave van het plangebied voor verdere ontwikkeling zoals omschreven in de vergunningsaanvraag. Er is getracht een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Synthegra wil de opdrachtgever er daarom op wijzen dat, indien tijdens de werkzaamheden een (mogelijke)
archeologische vondst wordt gedaan dan geldt de wettelijke meldingsplicht, zoals omschreven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de minister. Uit praktisch oogpunt kan een dergelijke toevalsvondst bij de gemeente worden gemeld.