Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (20468.001) Lierdererf (ong.) te Lieren

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen (Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum), een middelhoge tot hoge verwachting voor de perioden Laat-Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen en een lage verwachting voor de periode Nieuwe tijd. Het plangebied ligt namelijk binnen een (hoger geleden) daluitspoelingswaaier, met niet ver ten noorden/noordoosten een van west naar oost lopende dalvormige laagte, waarin waarschijnlijk al voor lange tijd een beekdal heeft gelegen (voorloper van de door de mens aangepaste/gekanaliseerde loop van de Oude Beek). De van nature voldoende gedraineerde gronden van de daluitspoelingswaaier zullen in principe al voor Jagers-verzamelaars (Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). Vanaf het Neolithicum zal het plangebied ook geschikt zijn geweest als nederzettingslocatie voor Landbouwers. Daluitspoelingswaaiers worden gezien als landschappelijke eenheden waar vaak een hoge dichtheid aan archeologische resten kan worden verwacht. Het nabijgelegen beekdal vormde een natuurlijke bron van (drink)water en had een grote aantrekkingskracht op wild, waarop kon worden gejaagd (door Jagers-verzamelaars) en was voor landbouwgemeenschappen juist geschikt voor het houden van vee (natte graslanden, hoge biodiversiteit). Vindplaatsen van Landbouwers zijn ook aangetroffen binnen het onderzoeksgebied, binnen dan wel in de directe omgeving van Lieren. Vanuit reeds uitgevoerd gravend onderzoek lijken laatprehistorische sites (IJzertijd) vooralsnog de voorkeur te hebben voor een ligging iets hogere in het landschap (op de hogere delen van de daluitspoelingswaaiers). Bij een grootschalige opgraving uitgevoerd niet ver ten noordwesten, binnen een terrein met een vergelijkbare landschappelijke ligging als het plangebied, zijn zowel laatprehistorische (IJzertijd) als laatmiddeleeuwse bewoningsrestanten aangetroffen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat het plangebied tot het oude bouwlandcomplex heeft behoort bij het oorspronkelijke buurtschap Lieren. Er zijn geen aanwijzingen dat het plangebied in de periode van de Nieuwe tijd tot een historisch erf heeft behoord. Bewoners van het buurtschap Lieren woonden voornamelijk aan de voorlopers van de huidige Lierderstaat, de Veldbrugweg en de Tullekensmolenweg.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) bevestigen de aanwezigheid van een plaggendek/oud-bouwlanddek en dat er over het algemeen sprake is van een merendeels intacte bodemopbouw. Het oorspronkelijke moedermateriaal betreft sneeuwsmeltwater/daluitspoelingswaaierafzettingen. In de top van deze afzettingen heeft zich van nature een veldpodzolbodem gevormd. Hierop is een plaggendek opgebracht, in overeenstemming met het historisch gebruik van het plangebied, waarbij het tot het oude bouwlandcomplex heeft behoort bij het oorspronkelijke buurtschap Lieren. Het merendeel van de van nature gevormde veldpodzolbodem is door agrarische bewerking/verploeging opgenomen in het plaggendek.   Enkel een dun restant van de overgangs-BC-horizont lijkt plaatselijk aanwezig te zijn en anders is sprake van een directe overgang naar de C-horizont. Agrarische bewerking zal net tot aan de top van de oorspronkelijke top van de C-horizont hebben plaatsvonden. Alleen in de oostelijke helft van het plangebied is het bovenste deel van het plaggendek, tot circa 40 cm -mv, vermengd met resten sloopafval (machinale beton- en baksteenpuin).

Voor het plangebied geldt dat het archeologisch potentiële sporenniveau nog (merendeels) intact aanwezig is. Archeologische sporen, indien aanwezig, zullen direct zichtbaar zijn onder het plaggendek/ploeglaag, vanaf een gemiddelde diepte van circa 70 cm -mv. Het archeologisch potentiële vondstniveau zal al wel volledig zijn verstoord ten gevolge van het agrarisch gebruik van het terrein. Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars, welke voornamelijk bestaan uit strooiingen van fragmenten vuursteen en (beperkt voorkomen) ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke bodem, zullen waarschijnlijk al verloren zijn gegaan (geen in situ gelegen strooiing van fragmenten vuursteen). (Nederzettings)sporen daterend vanaf het Laat-Neolithicum, welke dieper zullen doorlopen (zoals paalgaten en afvalkuilen) kunnen nog wel intact worden aangetroffen.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plangebied zijn middelhoge tot hoge verwachting op het voorkomen van archeologische (nederzettings)sporen daterend vanaf het Laat-Neolithicum t/m de Late-Middeleeuwen behoudt. De middelhoge verwachting op het voorkomen van intacte vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars kan voor het gehele plangebied bijgesteld worden naar een lage verwachting.

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Er is namelijk sprake van een merendeels intacte bodemopbouw/het archeologisch potentiële sporenniveau is nog merendeels intact aanwezig binnen het gehele plangebied. Het plangebied behoudt dan ook zijn hoge verwachting op nog in situ aanwezige archeologische waarden/archeologische (nederzettings)sporen daterend vanaf het Laat-Neolithicum t/m de Late-Middeleeuwen. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek, gericht op de nieuwbouwlocatie. Wanneer er behoudenswaardige archeologie wordt aangetroffen, kan gekozen een doorstart te maken naar een definitieve opgraving (DO) van maximaal de oppervlakte van de geplande nieuwbouwwoning. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid (gemeente Apeldoorn) goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is alleen mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt door niet dieper te ontgraven dan 40 cm onder het huidige maaiveld (bijvoorbeeld door het plangebied op te hogen waar de aanbouw zal worden gerealiseerd). In de praktijk zal dit lastig uitvoerbaar zijn, gezien de wens te gaan bouwen op de vaste ondergrond (‘bouwen op geel zand’).

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/FFDRI9
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/FFDRI9
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2024
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 8628970
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem