veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Schottershuizen naast nr. 29 te Zuidwolde. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de nieuwbouw van een woning met bijgebouwen en aanleg van een erf.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Het plangebied ligt in het Drentse Zandgebied. Op de gemeentelijke landschapsverwachtingskaart ligt het plangebied op de oostelijke flank van een smalle, langgerekte stuwwal. Grenzend aan het plangebied komen gordeldekzanden voor en ongeveer 500 m westelijk van het plangebied ligt een andere, langgerekte stuwwalrug. Op het AHN zijn de stuwwallen gemakkelijk te herkennen. Het plangebied ligt hier op de overgang van de voet naar de flank van de stuwwal. De oostelijker gelegen stuwwal is wat minder hoog. Tussen beide stuwwalruggen bevindt zich een laagte. Bodemkundig) ligt het gebied in een zone met lemige veldpodzolgronden; keileem is dicht (< 120 cm) onder het maaiveld te verwachten. Mogelijk is in het centrale en noordwestelijke plangebied een tamelijk recent plaggendek aanwezig. Westelijker (op de hogere delen van de stuwwal) komen lemige loopodzolgronden voor en wat zuidelijker zijn stuifzandgronden aanwezig.In de omgeving van het plangebied zijn geen archeologische resten bekend. Het plangebied ligt aan de Ommerweg. Deze verbinding is waarschijnlijk tot in de Middeleeuwen of zelfs eerder terug te voeren. In historische tijden (vanaf circa 1832) werd het terrein omschreven als bouw- en weiland. Op de topografische kaart van 1900 is het noordoostelijke deel van het plangebied bebouwd. Een groot deel is in gebruik als weiland. Rond 1931 verschijnt ook bebouwing aan de westzijde van het plangebied. Rond 2006 wordt het gebied ten zuiden van het plangebied verder ontgonnen. Los van het meest noordoostelijke deel van het plangebied is het plangebied nooit bebouwd geweest in historische tijden.Op basis van het bureauonderzoek geldt een middelhoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Voor de periode Late Middeleeuwen ? Nieuwe Tijd wordt een lage verwachting gehanteerd.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Uit het verkennend booronderzoek blijkt er overwegend sprake is van een AC-profiel. De A-horizont wordt daarbij gevormd door een bouwvoor van circa 35 cm dik. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een plaggendek gezien. In een aantal boringen is een verstoorde B-horizont geconstateerd. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie.Dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente De Wolden. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, mevr. M. Montforts.Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).