In opdracht van Korteweg Landgoedontwikkeling B.V. heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in januari 2009 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uitgevoerd in verband met bouwwerkzaamheden en landinrichting in de gemeente Etten-Leur. Het onderzoeksgebied (oppervlakte ca. 2.400 m2) behoort tot een groter plangebied van circa 30 ha. Op basis van het reeds uitgevoerde bureauen verkennend booronderzoek diende enkel onderhavig onderzoeksgebied door middel van proefsleuven onderzocht te worden. Het primaire doel van dit onderzoek was het toetsen en aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting voor het onderzochte gebied, waarbij het in eerste instantie ging om het (al dan niet) vaststellen van de aanwezigheid van archeologische grondsporen. Voorts diende het onderzoek zich te richten op de kwaliteit (gaafheid en conserve ring), aard, datering, omvang en diepteligging van eventueel aanwezige archeologische grondsporen en resten. In het onderzoeksgebied komen vroeg-pleistocene zanden en kleien van de Formatie van Stramproy dicht aan het oppervlak voor. Op deze afzettingen is in de laatste ijstijd (Weichselien) een dun pakket dekzand afgezet. Het reliëf wordt bepaald door de onderliggende, vroeg-pleistocene afzettingen die als terrasafzettingswelvingen gekarteerd zijn. In het dekzand heeft zich in het onderzoeksgebied een veldpodzolgrond ontwikkeld. Net ten oosten van het onderzoeksgebied komen in nattere laagten moerige gronden voor. Vanwege deze gunstige landschappelijke ligging geldt voor het onderzoeksgebied een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van zowel jager-verzamelaars als landbouwers. In het plangebied zijn reeds 2 vindplaat sen van jagerverzamelaars bekend, hetgeen de hoge verwachting bevestigt. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn echter geen archeologische resten of grond sporen aangetroffen. Wel is onder de afzettingen uit het Weichselien een moerige laag aangetroffen die ook al tijdens het verkennend booronderzoek is gevonden. Vermoedelijk is de veenlaag gevormd in het Eemien, maar dit moet nog door verder paleo-ecologisch onderzoek verder geanalyseerd worden. Omdat geen vindplaats is aangetroffen, wordt vervolgonderzoek door middel van een opgraving niet noodzakelijk geacht.