Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (18561.002) Kerkweg 20 te Malden

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting voor de perioden vanaf het Laat-Neolithicum. Deze verwachting is met name gebaseerd op de ligging van het plangebied aan het uiteinde van een naar het westen tot zuidwesten aflopende daluitspoelingswaaier/smeltwaterglooiing (zwak glooiende zone langs de voet van de stuwwal). De goede doorlatendheid en vruchtbaarheid van de bodems op een sandr/smeltwaterglooiing gelden als gunstige condities voor het plangebied als interessante locatie voor permanente bewoning. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt ook dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen daterend vanaf de Bronstijd/IJzertijd. Het plangebied wordt gerekend tot de jonge kampontginningen, waardoor een plaggendek wordt verwacht. Meestal ontstonden de plaggendekken op gronden die reeds van oudsher (zeer) geschikt waren als akkerland. De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Heumen geeft tevens aan dat in de 19e eeuw net langs de noordwestelijke grens van het plangebied er een boerderij heeft gestaan en direct ten noordoosten van het plangebied nog een bijgebouw/schuur.

Verder hebben in de omgeving van Malden gevechtshandelingen plaatsgevonden tijdens de Tweede Wereldoorlog (ligging binnen het operatiegebied van Market Garden als van de Maas-stellung). De verwachting is dan ook nog hoog op de voorkomen van losse vondsten/losse resten van militaria uit de Tweede Wereldoorlog. Binnen het huidige perceel dat niet alleen een functie heeft gehad voor wonen maar ook gebruikt werd als garage met werkplaats, hebben gedurende de tweede helft van de 20e eeuw (vooral in de jaren ’60/’70) wel diverse keren sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden plaatsgevonden.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) laten wat betreft recente verstoringen/verstoringsdiepte een verschil zien tussen de noordwestelijke en zuidoostelijke helft van het plangebied. Diepere recente verstoringen zijn aangetroffen in de noordwestelijke helft van het plangebied, tot gemiddeld 95 cm -mv. Het onderste deel laat hierbij een menglaag zien van humeus zand met “geel” zand wat zeer waarschijnlijk tot de oorspronkelijke C-horizont heeft behoort. Verder zal het humeuze, grindrijke zand oorspronkelijk tot een plaggendek hebben behoort. Juist in de zuidoostelijke helft van het plangebied, waar recente verstoringen tot maar 40 cm -mv zijn waargenomen, is hieronder nog een intact restant/niet recent verstoord restant van het plaggendek (Aa-horizont) aanwezig en lijkt bij twee boringen nog een restant van een BC-horizont van de nature gevormde holtpodzolbodem/bruine bosgrond aanwezig zijn. In de mineralogisch rijkere sandr-afzettingen (glaciofluviale afzettingen) vooral verwering/verbruining als bodemvormend proces optreed en niet zozeer podzolisatie. De van nature gevormde holtpodzolbodem/bruine bosgrond is dus wel merendeels, zo niet geheel opgenomen in het plaggendek. Op basis van de verkennende fase van het booronderzoek lijkt de oorspronkelijke bodemopbouw, en daarmee het archeologisch potentiële sporenniveau, nog deels intact aanwezig te zijn in de zuidoostelijke helft van het plangebied. Voor de noordwestelijke helft van het plangebied geldt dat verstoringen reiken tot circa 20 cm in de oorspronkelijke top van de C-horizont, waarmee juist sprake zal zijn van een merendeels, zo niet geheel verstoord/vergraven archeologisch potentiele sporenniveau.

In de bodem zijn echter tot 30 cm in de top van de sandr-afzettingen (glaciofluviale afzettingen) geen archeologisch relevante indicatoren aangetroffen. Alleen in het zeefresidu van de verstoorde/geroerde lagen humeuze grond zijn enkele fijne resten/brokken beton- en machinale baksteenpuin, resten machinaal glas, plastic en kolengruis/sintels aangetroffen. Zeer waarschijnlijk gaat het om bemestingsresten en voornamelijk resten sloop-/bouwafval die tijdens de diverse sloop- en navolgende nieuwbouwwerkzaamheden in de bodem terecht zijn gekomen. Welllicht dat voor de bouw van de bestaande en geheel onderkelderde woning een bouwput onder schuin talud is ontgraven, waarna grond is teruggestort binnen stroken grenzend aan de woning. Tevens ontbreekt het, afgezien van een al deels, zo niet geheel verstoord plaggendek, aan aanwijzingen voor de aanwezigheid van door de mens gevormde cultuurlagen/fossiele akkerlaag. Op basis van de resultaten van de karterende fase van het booronderzoek is er geen duidelijke aanleiding om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied nog te vermoeden.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek geen aanwijzing zijn om restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een hoge verwachting gold voor de perioden vanaf het Laat-Neolithicum en verder een lage verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum (vuursteenvindplaatsen), kan dan ook worden bijgesteld naar geen verwachting.

Advies Op grond van de al in sterke mate aangetaste/verstoorde bodemopbouw binnen de noordwestelijke helft van het plangebied en het verder ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden (geen archeologische resten aangetroffen in het zeefresidu), adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/FEZ9RK
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/FEZ9RK
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy
Publication Year 2022
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf
Size 11355063
Version 1.0
Discipline Humanities