Econsultancy heeft een opgraving uitgevoerd voor de Boschweg 118 te Schijndel in de gemeente Meierijstad. Ter plekke van het zuidelijke deel van plangebied zullen over een oppervlakte van circa 1.850 m2 nieuwe woningen worden gerealiseerd, met kelders met ruimte voor parkeerplaatsen, fietsenstalling en berging. Daarnaast wordt een bovengrondse parkeerplaats aangelegd. De maximale verstoringsdiepte van de geplande civieltechnische graafwerkzaamheden is nog niet bekend, omdat de plannen zich nog in de ontwikkelingsfase bevinden. Het archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht om te bepalen of er een gerede kans is dat archeologische waarden wel of niet aanwezig (kunnen) zijn in de ondergrond, die door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast/verloren kunnen gaan. Daarom is het binnen het kader van de Erfgoedwet (1 juli 2016) verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren.Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op basis van het archeologisch vooronderzoek uitgevoerd door Bureau voor Archeologie is de volgende verwachting opgesteld. De verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum, dus activiteiten samenhangend met jager-verzamelaars economieën, is laag, met name omdat het plangebied ligt op een dekzandlandschap zonder gradiëntzone(s) in de nabijheid. De verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd is hoog. Sporen en vondsten uit het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen kunnen verwacht worden in de top van de dekzandafzettingen. Archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd kunnen ook in het bovenliggende plaggendek tot aan het maaiveld aanwezig zijn.Resultaten Proefsleuvenonderzoek Tijdens het proefsleuvenonderzoek, uitgevoerd op 2 april 2020 door Econsultancy, is vastgesteld dat archeologische sporen uit de Late-Middeleeuwen aanwezig zijn in het zuidoostelijke deel van het plangebied. Meer specifiek kon aardewerk uit de late 13e tot vroege 14e eeuw uit twee sporen (kuil en greppel) verzameld worden. In het zuidwestelijke deel van het plangebied zijn natuurlijke sporen en sporen van moesbedden aangetroffen, die hoogstwaarschijnlijk in verband gebracht kunnen worden met het gebruik van het terrein als tuin na de bouw van de huidige kerk (Onze Lieve Vrouwe van de Heilige Rozenkrans) in 1928. Op basis van de onderzoeksresultaten is daarom door Econsultancy geadviseerd om een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving in het zuidoostelijke deel van het plangebied uit te voeren, ter plekke van de zone van Fase 1 zoals gedefinieerd bij het vooronderzoek.Gevolgde onderzoeksmethode Tijdens het veldwerk is op enkele punten afgeweken van de onderzoeksmethodiek zoals beschreven in het Programma van Eisen zoals opgesteld door Bureau voor Archeologie in maart 2020 en het aanvullend Programma van Eisen zoals opgesteld door Econsultancy in juni 2020. Het op te graven terrein viel samen met de contouren van de zone van Fase 1. Aan de zuid- en oostzijde moest een buffer gehanteerd worden van circa 1 à 2 meter om het hekwerk en de hagen langs de perceelgrenzen niet te beschadigen. Aan de noordzijde nabij de voormalige pastorie was een nieuw vast hek geplaatst en was oppervlakteverharding aanwezig in de vorm van tegels. Volgens de opdrachtgever zouden op deze locatie nauwelijks tot geen bodemverstorende werkzaamheden worden uitgevoerd. In overleg met de bevoegde overheid is besloten om deze noordelijke zone niet te onderzoeken en in plaats daarvan het opgravingsterrein gedeeltelijk naar het westen uit te breiden. Op deze wijze is in totaal circa 554 m2 onderzocht in plaats van de oorspronkelijk geplande 690 m2 voor Fase 1.De opgraving is in het veld op 9 en 10 juli 2020 gefaseerd uitgevoerd waarbij verschillende werkputnummers zijn uitgeschreven. De vlakken zijn gefotografeerd, sporen zijn met een GPS-systeem gemeten, beschreven en geïnterpreteerd en deels gecoupeerd, vondsten zijn verzameld, en tot slot zijn vier profielkolommen gedocumenteerd met als doel de bodemopbouw te onderzoeken.Resultaten Opgraving Tijdens de opgraving zijn in totaal 27 sporen gedocumenteerd. Daarnaast zijn de sporen aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek in Werkput 1 afgewerkt. Bij het afwerken van de kuil van Spoor 2, reeds gedocumenteerd tijdens het proefsleuvenonderzoek, konden nog meer aardewerkfragmenten uit de Late-Middeleeuwen (late 13e tot vroege 14e eeuw) verzameld worden. De overige, tijdens de opgraving nieuw aangetroffen sporen konden niet gerelateerd worden aan de tijdens het proefsleuvenonderzoek aangetroffen laatmiddeleeuwse sporen. De nieuwe sporen betroffen kuilen of verstoringen, paalkuilen, moesbedden, mogelijke uitbraak(sleuven) en een leidingsleuf. Het vondstmateriaal aangetroffen in een deel van de sporen bestond uit aardewerk uit de Late-Middeleeuwen A, maar vermengd met aardewerkfragmenten uit latere perioden. Meer algemeen bestond het vondstmateriaal uit aardewerk, bouwkeramiek, metaal, glas en dierlijk botmateriaal dat in de Late-Middeleeuwen tot en met de 20e eeuw gedateerd kan worden. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is reeds gesuggereerd dat de moesbedden hoogstwaarschijnlijk in verband gebracht kunnen worden met het gebruik van het terrein als tuin na de bouw van de huidige kerk (Onze Lieve Vrouwe van de Heilige Rozenkrans) in 1928. De overige sporen betroffen met name kuilen, die natuurlijk leken (veroorzaakt door begroeiing/wortels), of (sub)recente verstoringen, met name in het noordelijke deel van het opgravingsterrein. Voor het feit dat slechts twee sporen met laatmiddeleeuws aardewerk zijn aangetroffen in het zuidoostelijke deel van het plangebied kan geen duidelijke verklaring gegeven worden. Mogelijk dat de verwachte laatmiddeleeuwse vindplaats meer naar het oosten ligt, buiten het plangebied, of dat ooit aanwezige laatmiddeleeuwse sporen reeds volledig verstoord en verdwenen zijn.