Een archeologisch bureau-onderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen op het terrein aan de Wilhelminaweg 25 te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug (U.)

DOI

Op de onderzoekslocatie zijn tijdens het verkennende booronderzoek drie boringen geplaatst. Het maaiveld van de onderzoekslocatie helt sterk in zuidwestelijke richting door de ligging op een stuwwal. Ten behoeve van de bewoning en het terras is de noordelijke helft van het terrein opgehoogd. Dit is ook het geval op het terrein waar de daadwerkelijke aanbouw plaats gaat vinden. Boring 1 is geplaatst ter plaatse van de toekomstige aanbouw. In deze boring is de bodemopbouw tot een diepte van 1,5 m –mv sterkvergraven. In deze laag komt recent bouwpuin voor. De bodemopbouw bestaat uit zwak siltig bruingrijs zand. De bovenste 20 centimeter bestaat uit donkerbruin zand aangebracht ten behoeve van een grasveldje langs het terras. Beneden 1,5 m –mv bestaat de bodemopbouw uit geelbruin zwak siltig zand. Deze laag loopt zeer geleidelijk over naar geel zwak grindhoudend zand. Het bodemprofiel van boring 1 kan worden geclassificeerd als een opgehoogde en gedeeltelijk vergraven bruine bosgrond (holtpodzol). De A-horizont is volledig vergraven met de opgebrachte grond. De mate van ophoging is door de vergraving niet exact vast te stellen.Boring 2 is geplaatst in de tuin ten zuiden van de woning. Ook in deze boring is het bodemprofiel vergraven en wel tot een diepte van 0,9 m –mv. Binnen deze laag lijkt het profiel te zijn omgekeerd. Bovenin het pakket worden resten aangetroffen van de onderliggende B-horizont. De vergraven laag bevat baksteen en puinfragmenten en gaat in de ondergrond scherp over naar het niet vergraven deel van de B-horizont. Op een diepte van 1,2 m –mv begint de zwak grindhoudende, licht geelgrijze C-horizont. Het gehele bodemprofiel bestaat uit zwak siltig zand. Ook dit profiel kan worden worden geclassificeerd als een opgehoogde en gedeeltelijk vergraven bruine bosgrond (holtpodsol).Boring 3 is geplaatst ten oosten van het huis om inzicht te krijgen in de bodemopbouw temidden van de strook met hoge verwachtingswaarde. In deze boring is de bodemopbouw tot een diepte van 1,1 m –mv vergraven. Onder deze laag gaat de bodemopbouw scherp over in donker geel, zwak grindig zand. Dit zand bestaat uit de ongeroerde BC horizont. Op een diepte van 1,3 m –mv gaat deze horizont geleidelijk over in de C-horizont. Deze bestaat uit zwak siltig en zwak grindig geel zand. Het bodemprofiel lijkt hier in mindere mate te zijn opgehoogd. Dit is logisch, aangezien deze locatie verder op de stuwwal ligt. Hierdoor is het originele bodemprofiel het diepst vergraven, in deze boring zijn de gehele A en B horizonten vergraven.Concluderend kan worden gesteld dat op de locatie in het verleden bruine bosgronden (holtpodzolen) aanwezig zijn geweest. Het bodemprofiel is op de gehele locatie gedeeltelijk vergraven. De verstoringsdiepte ligt tussen 0,8 en 1,5 m –mv (inclusief ophoging). Door de ligging op een helling is ook een deel van de locatie opgehoogd om een horizontaal oppervlak te cre¨eren (boring 1). De exacte mate van ophoging is door de vermenging van het ophogingspakket met onderliggende A en B horizonten niet exact vast te stellen. Van origine liep het maaiveld waarschijnlijk geleidelijk af in zuidwestelijke richting. In geen van de boringen zijn, buiten recent puin en baksteen, archeologische indicatoren aangetroffen. Een oppervlaktekartering kon niet worden uitgevoerd door de aanwezige vegetatie en verhardingen.ConclusiesDe locatie is op zowel de bodemkaart als de geomorfologische kaart niet gekarteerd. Ook op de landelijke IKAW is de locatie niet gekarteerd. In het streekplan van Doorn-Noord heeft het noordelijk deel van de locatie een dubbelbestemming voor wonen en archeologie. De geplande aanbouw valt net binnen deze zone. In het inventariserend veldonderzoek zijn op de onderzoekslocatie gedeeltelijk vergraven bruine bosgronden (holtpodzolen) aangetroffen. Holtpodzolen hebben op de IKAW een hoge trefkans op archeologische sporen. Op de locatie hebben in het verleden graaf- en ophoogwerkzaamheden plaatsgevonden waardoor de intacte bodem begint op een diepte varierend tussen 0,9 en 1,5 m –mv. Ter plaatse van de geplande aanbouw begint de intacte bodem op een diepte van 1,5 m –mv,mede veroorzaakt door de aanwezigheid van een ophogingspakket. Op de locatie zijn in de boringen buiten recent puin en baksteen geen archeologische indicatoren aangetroffen.

Issued: 2 juli 2008

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/DANS-27Y-GSUF
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/DANS-27Y-GSUF
Provenance
Creator Archaeological Research en Consultancy; Wullink, A.J.; Blom, drs M.C.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor M.C. Blom; ARC bv
Publication Year 2010
Rights CC0-1.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/publicdomain/zero/1.0
OpenAccess true
Contact M.C. Blom (ARC bv)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf; text/csv; text/xml; text/comma-separated-values
Size 16370430; 892; 165; 149; 193; 329; 293; 287; 354; 207; 245; 178958; 113; 51; 70; 8157; 8846; 24111; 219; 82; 65; 150; 194; 294; 223; 79; 46; 141; 366; 2197; 407; 531; 689; 428; 104; 358; 4571; 50; 92; 48; 344; 305; 59; 56; 181; 78; 139; 89
Version 2.0
Discipline Humanities