In opdracht van Stedin heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch inventariserend veldonderzoek verkennende fase uitgevoerd naar het plangebied Hoogspanningsstation Vleuterweide aan de Mostperenlaan te Utrecht, gemeente Utrecht (zie afb. 1.1 en bijlage 1). De aanleiding voor dit onderzoek is de nieuwbouw van het hoogspanningsstation 50/21kV. De voetafdruk van de bebouwing meet circa 30 x 20 meter. In het kader hiervan worden voor het schakelgebouw funderingen aangelegd tot 0,8 m -mv en de ontgraving voor de trafocellen zal tot circa 1,5 m -mv plaatsvinden. Het type fundering is nog niet bekend, aangezien dit nog moet blijken uit het geotechnisch onderzoek en doordat het ontwerp nog niet vaststaat, kunnen de afmetingen van het uiteindelijke station mogelijk nog veranderen.
Er is reeds een bureauonderzoek uitgevoerd dat heeft uitgewezen dat het plangebied een zeer hoge verwachting heeft voor de periode Romeinse tijd. Er worden resten verwacht van de Romeinse Limesweg en/of van structuren en constructies die daarmee verband houden op de oever van de oude Rijn. Voor de andere perioden daaraan voorafgaand en daaropvolgend is de archeologische verwachting laag.
Op basis van de resultaten van het booronderzoek is het volgende te concluderen:
Onder een bouwvoor die varieert in dikte van 15 tot 50 cm -mv, is in sommige boringen een dik pakket zwak humeuze klei, waarin zeer veel recent puin voorkomt. Het is mogelijk dat dit ophoging of egalisering van het terrein betreft. Dit is het geval in boring 2, 6 en 3. In de andere boringen zijn regelmatig vanaf 15 á 50 cm – mv al gerijpte oeverafzettingen aanwezig, die in de top regelmatig verstoord zijn. Het is mogelijk dat het hier een cultuurlaag betreft, maar een datering hiervan is onzeker. Op sommige plekken is in dit pakket nog baksteen aanwezig.
Hieronder bevinden zich de oeverafzettingen die minder gerijpt zijn, alvorens over te gaan naar een humeus pakket donkergrijze komklei die varieert in hoogte vanaf 80 tot
195 cm – mv. Hieronder bevinden zich de lichtgrijze komafzettingen, die hier en daar laagjes veen bevat. Vanaf ca. 380 á 400 cm – mv bevindt zich een pakket basisveen van
30 tot 50 cm dikte, gevolgd door het dekzand.
Alleen in boring 5 was sprake van oever- op beddingafzettingen, in plaats van oever- op komafzettingen. Op de oeverafzettingen waren echter geen aanwijzingen voor de aanwezigheid voor een vindplaats.
In boring 2 is sprake van een dik pakket zand, dit betreft zeer waarschijnlijk recente ophoging.
Het plangebied is waarschijnlijk gelegen aan de rand van de oeverafzettingen, waar alleen in het uiterste zuiden oever- op beddingafzettingen aanwezig zijn. Ook in boring 6 is zand aangetroffen, maar dit bleek zeer puin- en grindhoudend, het is mogelijk dat het ook hier om beddingafzettingen gaat, maar dat die zeer verstoord zijn geraakt. Het kan ook ophoogzand betreffen.
Op basis van de resultaten is het duidelijk dat het plangebied aan de rand is gelegen van oever-op beddingafzettingen. Er zijn evident recente verstoringen aanwezig, echter is het mogelijk dat zich onder de recente verstoringen nog archeologische waarden bevinden.
Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt voor het plangebied vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van een verkennend proefsleuvenonderzoek.
Het bevoegd gezag heeft echter beoordeeld dat er geen vervolgonderzoek noodzakelijk is.