ADC ArcheoProjecten heeft een Archeologische Opgraving uitgevoerd voor het plangebied Klein Bedaf 3 te Baarle-Nassau. Op deze locatie wordt een nieuwe varkensstal gebouwd. De opgraving is het sluitstuk van een reeks archeologische onderzoeken die door de jaren heen zijn uitgevoerd. Na het bureau- en booronderzoek en een veldkartering werd de kans klein geacht dat er vindplaatsen aanwezig zouden zijn. Door de provincie Noord-Brabant werd echter een proefsleuvenonderzoek geadviseerd voor het gehele plangebied. In totaal werden 13 proefsleuven aangelegd. Behalve een vierpalige spieker werden geen duidelijke structurele verbanden herkend. Wel werd een grote spoorconcentratie aangetroffen, in het centrum van het plangebied, ter plaatse van de proefsleuven 7, 8 en 13. In dit deel van het plangebied zijn 109 van de 120 paalkuilen en 4 van de 5 kuilen aangetroffen. De onderzoekers vermoedden een datering in de IJzertijd. Gezien de spoordichtheid en de aard van de sporen werden één of meerdere structuren van hoofd- en bijgebouwen verwacht. De vindplaats werd als behoudenswaardig gewaardeerd waarna de bevoegde overheid stelde dat deze nader onderzocht diende te worden.Voorafgaand aan huidig onderzoek is het onderzoeksgebied nog uitgebreid: ten zuiden van het onderzoeksgebied ligt een zone die eveneens ontwikkeld zal worden. Hier heeft echter nooit archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Naast een archeologische opgraving is tevens een kleinschalig booronderzoek uitgevoerd. In totaal zijn 14 boringen gezet. Het onderzochte terrein is voor het grootste deel verstoord. Op basis van de resultaten en de mate van verstoring in de boringen is besloten de opgraving niet uit te breiden naar het zuiden.Tijdens het archeologische onderzoek te Klein Bedaf zijn op een oppervlakte van minder dan 3.000 m² 1.120 grondsporen geregistreerd, wat aanzienlijk is. Er zijn bijna geen sporen van recente aard of recente bodemverstoringen aangetroffen, wat wijst op de goede conservering van de vindplaats.Uit deze sporen konden 20 structuren gereconstrueerd worden: 10 hoofdgebouwen (huisplattegronden en grote bijgebouwen) en 10 kleinere gebouwstructuren (1 hutkom, 1 bijgebouw en 8 spiekers). Naast deze structuren zijn nog tal van stakenrijen herkend. Bij meerdere stakenrijen is er sprake van een zekere samenhang. Gezien hun ligging ten opzichte van de gebouwplattegronden en onderlinge verhoudingen worden de stakenrijen van Klein Bedaf geïnterpreteerd als veedriften. De verschillende stakenrijen lijken naar de gebouwplattegronden toe te lopen. De auteur vermoedt dat deze stakenrijen dienden om het vee tot in de stal van de boerderij te loodsen.De gebouwplattegronden worden op typologische basis in de Midden-Bronstijd gedateerd. Het aardewerk uit de verschillende structuren wordt in de periode 1600-1300 v. Chr. gedateerd. De dateringen van het aardewerk sluiten aan bij de 14C-dateringen. De structuren 2, 6, 9, 10 en 11 werden gedateerd en leverden een datering op tussen 1501 en 1117 v. Chr. De 14C-dateringen overlappen elkaar in die mate dat de structuren theoretisch gezien tegelijkertijd kunnen hebben bestaan. Verschillende structuren echter overlappen elkaar. Er zijn dus meerdere bewoningsfases geweest. Hoe de bewoning elkaar opvolgt en hoe de spreiding is in de tijd is met de kennis die voorhanden is niet met zekerheid te zeggen.ADC ArcheoProjecten heeft een Archeologische Opgraving uitgevoerd voor het plangebied Klein Bedaf 3 te Baarle-Nassau. Op deze locatie wordt een nieuwe varkensstal gebouwd. De opgraving is het sluitstuk van een reeks archeologische onderzoeken die door de jaren heen zijn uitgevoerd. Na het bureau- en booronderzoek en een veldkartering werd de kans klein geacht dat er vindplaatsen aanwezig zouden zijn. Door de provincie Noord-Brabant werd echter een proefsleuvenonderzoek geadviseerd voor het gehele plangebied. In totaal werden 13 proefsleuven aangelegd. Behalve een vierpalige spieker werden geen duidelijke structurele verbanden herkend. Wel werd een grote spoorconcentratie aangetroffen, in het centrum van het plangebied, ter plaatse van de proefsleuven 7, 8 en 13. In dit deel van het plangebied zijn 109 van de 120 paalkuilen en 4 van de 5 kuilen aangetroffen. De onderzoekers vermoedden een datering in de IJzertijd. Gezien de spoordichtheid en de aard van de sporen werden één of meerdere structuren van hoofd- en bijgebouwen verwacht. De vindplaats werd als behoudenswaardig gewaardeerd waarna de bevoegde overheid stelde dat deze nader onderzocht diende te worden.Voorafgaand aan huidig onderzoek is het onderzoeksgebied nog uitgebreid: ten zuiden van het onderzoeksgebied ligt een zone die eveneens ontwikkeld zal worden. Hier heeft echter nooit archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Naast een archeologische opgraving is tevens een kleinschalig booronderzoek uitgevoerd. In totaal zijn 14 boringen gezet. Het onderzochte terrein is voor het grootste deel verstoord. Op basis van de resultaten en de mate van verstoring in de boringen is besloten de opgraving niet uit te breiden naar het zuiden.Tijdens het archeologische onderzoek te Klein Bedaf zijn op een oppervlakte van minder dan 3.000 m² 1.120 grondsporen geregistreerd, wat aanzienlijk is. Er zijn bijna geen sporen van recente aard of recente bodemverstoringen aangetroffen, wat wijst op de goede conservering van de vindplaats.Uit deze sporen konden 20 structuren gereconstrueerd worden: 10 hoofdgebouwen (huisplattegronden en grote bijgebouwen) en 10 kleinere gebouwstructuren (1 hutkom, 1 bijgebouw en 8 spiekers). Naast deze structuren zijn nog tal van stakenrijen herkend. Bij meerdere stakenrijen is er sprake van een zekere samenhang. Gezien hun ligging ten opzichte van de gebouwplattegronden en onderlinge verhoudingen worden de stakenrijen van Klein Bedaf geïnterpreteerd als veedriften. De verschillende stakenrijen lijken naar de gebouwplattegronden toe te lopen. De auteur vermoedt dat deze stakenrijen dienden om het vee tot in de stal van de boerderij te loodsen.De gebouwplattegronden worden op typologische basis in de Midden-Bronstijd gedateerd. Het aardewerk uit de verschillende structuren wordt in de periode 1600-1300 v. Chr. gedateerd. De dateringen van het aardewerk sluiten aan bij de 14C-dateringen. De structuren 2, 6, 9, 10 en 11 werden gedateerd en leverden een datering op tussen 1501 en 1117 v. Chr. De 14C-dateringen overlappen elkaar in die mate dat de structuren theoretisch gezien tegelijkertijd kunnen hebben bestaan. Verschillende structuren echter overlappen elkaar. Er zijn dus meerdere bewoningsfases geweest. Hoe de bewoning elkaar opvolgt en hoe de spreiding is in de tijd is met de kennis die voorhanden is niet met zekerheid te zeggen.
Een archeologische opgraving van een Bronstijdnederzetting
Date Submitted: 2014-08-21