Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie in de vroege middeleeuwen in gebruik is geweest als erf en mogelijk ook als akker of weiland. Op het terrein zijn twee schuren, een perceelsscheiding(sloot of greppel) en een aantal kuilen aangetroffen en onderzocht. De kuilen bestaan uit opslag-, water- en brandkuilen. Op basis van het aardewerk dat is aangetroffen in de sporen dateert de vroegmiddeleeuwse bewoning uit de 6e of 7e eeuw (Merovingische tijd) en heeft deze bewoning hier gedurende 100 tot 150 jaar plaatsgevonden.Hoewel er geen centraal hoofdgebouw (boerderij) tijdens het huidige onderzoek is gevonden, is er op basis van het vooronderzoek wel mogelijk een indicatie voor de ligging van een dergelijk gebouw. Uit de vondsten van ijzertijdaardwerk blijkt dat het onderzoeksgebied ook in de periode voorafgaand aan de bewoning in de vroege middeleeuwen in gebruik moet zijn geweest. Aangezien er, afgezien van mogelijk één greppel en een paalkuil die bij het vooronderzoek werden gevonden, geen directe koppeling is tussen sporen en het ijzertijdaardewerk, is de aard van dit gebruik niet duidelijk. Het onderzoeksterrein zou in deze periode als nederzettingsterrein in gebruik kunnen zijn geweest, maar bijvoorbeeld ook als akkerland.Duidelijk is dat het vroegmiddeleeuwse erf zich tot buiten het huidige onderzoeksgebied uitstrekt. Bij toekomstige bodemingrepen die direct aangrenzend of in de directe nabijheid van het huidige onderzoeksgebied plaatsvinden, dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van meerdere sporen en structuren die tot dit erf behoren. Ook kunnen sporen en vondsten uit de ijzertijd zich rondom het huidige onderzoeksgebied bevinden. Het verdient aanbeveling deze resten te behouden.