Gespecificeerde archeologische verwachting
Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied in een overgangszone ligt, van de oostelijk georiënteerde flanken van het stuwwallengebied van Nijmegen naar de verder naar het oosten toe lopende daluitspoelingswaaiers. Een belangrijk kenmerk voor Jagers-Verzamelaars ((Laat-)Paleolithicum - Midden-Neolithicum) was dat de mensen voornamelijk leefden van de jacht en het verzamelen van eetbare planten. Ten aanzien van deze aspecten vormden de overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntsituaties) de meest gunstige locaties voor (tijdelijke) bewoning. Het plangebied heeft een dergelijke ligging binnen een landschappelijke gradiëntzone. Enkele tientallen meters ten zuiden van het plangebied ligt een droogdal. Wellicht dat in de tijd van de jagers-verzamelaars er binnen dit dal nog sprake was van een watervoerende beek en daarmee een natuurlijke bron vormde voor (drink)water. Gravend onderzoek langs de zuidwestzijde van de Parachutistenstraat, circa 200 meter ten oosten van het plangebied, heeft ook vuurstenen artefacten oplevert uit het Laat-Paleolithicum en het Midden-Neolithicum. Op de ten westen van het plangebied gelegen stuwwal zijn ook neolithische vindplaatsen bekend.
Landbouwers stelden andere eisen aan zijn landschappelijke omgeving. De locatiekeuze werd in steeds belangrijkere mate bepaald door de mate waarin gronden geschikt waren voor de akkerbouw. In het plangebied is waarschijnlijk sprake van (zandige) lössleemhoudende zandgronden. Leemrijke bodems zijn vruchtbaarder en minder stuifgevoelig en daarom aantrekkelijker voor (prehistorische) landbouwactiviteiten. Wel zijn deze gronden moeilijker te bewerken. Behalve bodemkundige factoren blijft de aanwezigheid van gradiënten in het landschap (droog naar nat, hoog naar laag, dicht bebost naar een open landschap) ook in de verschillende landbouwperioden (Neolithicum t/m Late-Middeleeuwen) een aantrekkelijke voorwaarde voor de vestiging van nederzettingen. Ook het eerder genoemde gravende onderzoek uitgevoerd langs de Parachutistenstraat heeft nederzettingssporen uit de Midden-IJzertijd en de (Late-IJzertijd en) Vroeg-Romeinse tijd. De aard en ligging van de opgegraven resten maakt duidelijk dat de opgraving een uitsnede is van een veel groter gebied met archeologische resten dat zich vanuit het onderzochte terrein in alle richtingen uitstrekt (en daarmee wellicht binnen de begrenzing van onderhavig plangebied?).
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat het plangebied aan het begin van de 19e eeuw nog woeste grond betrof en pas in de tweede helft van de 19e eeuw in gebruik werd genomen als akkerland. Vanaf september 1944 is (de omgeving van) Groesbeek onderhevig geweest aan gevechtshandelingen tijdens Operatie Market Garden. Het plangebied heeft zowel binnen een zone gelegen geallieerde luchtlandingen hebben plaatsgevonden als waar de frontlinie heeft gelegen tijdens de periode oktober/november 1944 (na het (mislukken van) Operatie Market Garden). De bestaande twee-onder-een-kap woningen zijn in 1955 gebouwd, waarbij het plangebied verder gebruikt werd als woonpercelen (siertuinen, op het achtererf diverse schuurtjes/tuinhuisjes).
Op basis van bovenstaande uitgangspunten geldt een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Omdat een plaggendek niet wordt verwacht, worden archeologische resten, indien aanwezig, vlak onder het maaiveld verwacht en deze zijn daardoor kwetsbaar voor moderne bodemingrepen. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft geen aanwijzingen dat het plangebied binnen een historisch erf heeft gelegen. Voor resten uit de Tweede Wereldoorlog is de verwachting wel hoog.
Conclusie en advies
Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Er geldt vooralsnog een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten/sporen uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag, uitgezonderd de hoge verwachting op resten uit de Tweede Wereldoorlog. Wellicht dat binnen (een gedeelte van) het plangebied, afgezien van het reeds bebouwde oppervlak, er al diverse moderne bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd, ten gevolge van de huidige inrichting de woonerven.
Daarom wordt geadviseerd om (in eerste instantie) een aanvullend onderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Gelijkmatig verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet, om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel (mate van intactheid dan wel moderne verstoring van de oorspronkelijke bodemopbouw). Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Berg en Dal, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door mevrouw E.K. Mietes, regioarcheoloog regio Nijmegen, d.d. 13 september 2023). Met bovenstaand advies wordt ingestemd.