In december 2022 en maart 2023 heeft Antea Group een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de geplande herinrichting aan de
Stroomzijde te Blaricum (gemeente Blaricum) als onderdeel van de Hoogwaardig Openbaar
Vervoers-verbinding (HOV) Hilversum-Huizen. Het onderzoek bestaat uit een inventariserend
veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase (december 2022) en karterende fase (maart
2023). De onderzoeken volgen op adviezen die zijn verwoord in een eerder opgesteld
bureauonderzoek.
Het plangebied ligt op de overgang tussen de wijk Bijvanck en de wijk Blaricummermeent. De
omlijning van het HOV-plandeel Stroomzijde beslaat een oppervlakte van 1,5 hectare. Het plan
omvat diverse werkzaamheden, zoals het aanbrengen van diverse vormen van
oppervlakteverharding, kleinschalige boven- en ondergrondse constructies, groenbeplanting en
het aanbrengen van een damwand. Over het algemeen zullen de voorgenomen maatregelen
voornamelijk bestaan uit herinrichting op maaiveldniveau en lichtere, ondiepe bodemingrepen.
Tussen de berm en de watergang zal echter een stalen damwand worden aangelegd. Hierbij zal
de bodem tot een dieper niveau dan 2,5 m-mv worden ontgraven of verstoord.
Voor het overgrote deel van het plangebied is in 2014 door Transect een archeologisch
bureauonderzoek uitgevoerd. Het plangebied is onderzoeksplichtig volgens het beleid van de
gemeente Blaricum en op grond van het reeds uitgevoerde bureauonderzoek.
Conclusies bureauonderzoek.
Op basis van het bureauonderzoek is de verwachting dat het plangebied recent is opgehoogd bij
de realisatie van de wijk Bijvanck en Blaricummermeent. In het plangebied worden met name
archeologische resten verwacht uit de periode paleolithicum – bronstijd. Verder heeft RAAP in
2004 in voorbereiding op de aanleg van de woonwijk Blaricummermeent een grootschalig
verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd.
De zuidzijde van dit onderzochte gebied
grenst direct aan en overlapt deels met het huidige plangebied. In dit onderzoek zijn op het
geaccidenteerde dekzandniveau diverse vindplaatsen aangetroffen. De absolute hoogteligging
van deze vindplaatsen is circa – 0,5 tot -1,5 m NAP.
Conclusies booronderzoek, verkennende fase.
De bodemopbouw bestaat, over het algemeen en van boven naar beneden, uit een pakket
opgebrachte grond met hieronder zware klei op veen op dekzand. In het gros van de boringen
vertoont het dekzand kernmerken van zwakke tot matig ontwikkelde bodemvorming in de vorm
van een (A)-E/EB-B-C -profiel. De podzolbodems zijn het beste ontwikkeld in boringen 09 en 10.
Op drie locaties in het plangebied zijn dekzandkopjes aangetroffen. Deze kopjes zijn aangetroffen
bij boringen 06, 09-10 en 13. In boringen 06 en 13 is het zand vanaf circa 1 m -NAP aangetroffen
en bij boringen 09 en 10 vanaf 0,8 à 0,9 m -NAP. In het westelijke gedeelte van het plangebied
(boringen 01 t/m 05) zijn overigens geen (gedeeltelijke) podzolprofielen waargenomen en volgt
het moedermateriaal direct onder het veen. Hier ligt het dekzand, met een begindiepte van 2,2 à
2,7 m -NAP, ook een stuk lager in het landschap. Het plangebied laat hiermee een microreliëf zien waarbij grote verschillen in de hoogteligging van het dekzand zijn waargenomen binnen zeer
korte afstanden.
Aanbevolen werd om de delen van het plangebied met de hoogste archeologische verwachting,
zijnde de hoger gelegen dekzandkopjes gecombineerd met redelijk ontwikkelde podzolbodems,
nader te onderzoeken door middel van een karterend booronderzoek.
Conclusies booronderzoek, karterende fase.
De geolandschappelijke en bodemkundige resultaten van het verkennend onderzoek worden
bevestigd en aangevuld door het karterend booronderzoek. Op het oostelijke dekzandkopje zijn
de podzolprofielen op vrij korte trajecten ontwikkeld (boringen K03-K01). De podzolprofielen zijn
op het centrale deel van het plangebied (boringen K04-K10) redelijk goed ontwikkeld en relatief
hoog gelegen. Het hoge deel van het westelijke dekzandkopje (K14-K11) was zeer smal, slechts
één boring met een ontwikkeld profiel (K12), en daarna een steile afdaling naar een depressie of
ven ten westen.
Het opgeboorde grondvolume van de karterende boringen is nat uitgezeefd en het residu is
vervolgens gedroogd en bij lamplicht geïnspecteerd. Er zijn in het residu geen archeologische
indicatoren aangetroffen.
Selectieadvies.
Na het verkennend booronderzoek zijn op de geselecteerde locaties karterend boringen
uitgevoerd. Het karterend booronderzoek heeft geen archeologische indicatoren opgeleverd.
Door de gehanteerde boordichtheid en de wijze van verzamelen wordt het onderzoek
beschouwd als een representatieve steekproef en de conclusie is dan ook dat binnen het
plangebied aannemelijk geen archeologische vindplaats aanwezig is. Wij adviseren om géén
nader onderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie.
Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in
deze de gemeente Blaricum. Het advies is overgenomen.
Antea Group Archeologie 2022/363
Projectnummer: 464849.116