In opdracht van Nutriënten Management Instituut (NMI) heeft BAAC een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek in combinatie met een veldinspectie uitgevoerd in het plangebied Maaskemp te Gennep (gemeente Gennep). Aanleiding voor het onderzoek is de uitvoering van een bodemonderzoek naar de opbouw en fosfaatverzadiging van de bodem en het op basis daarvan (met gebruikmaking van opgedane veldinformatie en achtergrondinformatie) opstellen van een advies door NMI voor het realiseren van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden op de betreffende percelen.Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied gelegen is op een rug tussen de rivier de Niers en de Maas, dichtbij de monding van de Niers. Met name het centrale deel van het plangebied is verhoudingsgewijs hoog gelegen. De natuurlijke ondergrond van noordelijke deel van het plangebied betreft bestaat uit ooivaaggronden (zavel), het zuidelijke deel uit enkeerdgronden (zand). Nabij de rivier de Niers is sprake van beekdalafzettingen.De verwachtingen voor archeologische waarden (bewoning/begraven/activiteiten) vanaf het laat paleolithicum tot en met Romeinse tijd zijn hoog. De verwachting voor activiteiten en de kans op een versterking uit de laat Romeinse tijd is eveneens hoog. De verwachting voor bewoningsporen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd is laag. Dit sluit percelering sporen overigens niet uit, de verwachting hierop is hoog. De verwachting voor sporen uit de late middeleeuwen tot en met 17e eeuw gerelateerd aan belegeringen (legerkampen, belegeringslinies en veldversterkingen is (zeer) hoog. Het meest zuidelijke deel van het plangebied heeft een lage verwachting voor alle perioden uitgezonderd uit de Tweede Wereldoorlog, daarvoor geldt een hoge verwachting.Op basis van het bureauonderzoek kan aan het gehele plangebied een hoge archeologische verwachting. worden toegekend. Specifiek worden archeologische waarden gerelateerd aan belegeringen uit de 17e eeuw verwacht vanaf het huidige maaiveld.Door het NMI zijn boringen gezet, begeleid door BAAC. Door BAAC zijn twee aanvullende boringen gezet in een redan en een redoute. Uit het veldonderzoek blijkt dat ter hoogte van het maaiveld de resten van een gracht/greppel rondom een redoute en een loopgraaf met redan zichtbaar zijn. De bouwvoor in het plangebied heeft een dikte variërend van 20 tot 40 cm, gemiddeld 30 cm. Er zijn weinig metaalvondsten aangetroffen in de bovenste 15 cm van de bouwvoor, uitgezonderd granaatscherven daterend uit Wereldoorlog Twee. In vier boringen zijn grondsporen aangesneden. Het meest zuidelijke deel van plangebied werd in 1945 gebruikt als vuilnisbelt. Concluderend kan gesteld worden dat de vooraf opgestelde hoge archeologische verwachting voor het plangebied naar aanleiding van het booronderzoek niet hoeft te worden bijgesteld. De archeologische verwachting uit het bureauonderzoek kan op basis van de resultaten van het veldonderzoek gehandhaafd blijven.Werkzaamheden in uitsluitend de bovenste 15 cm van de bodem, het niveau direct onder het maaiveld, zijn mogelijk zonder onderzoek. Indien er werkzaamheden worden uitgevoerd in het niveau van 15 tot 30 cm onder maaiveld dan dienen deze archeologisch te worden begeleid teneinde een metaaldetectoronderzoek te kunnen doen. In het geval van werkzaamheden dieper dan 30 cm onder maaiveld moet er eerst karterend en waarderend archeologisch onderzoek worden verricht in de vorm van proefsleuven.Het is zeldzaam om in Nederland sporen van belegeringswerken uit de Tachtigjarige Oorlog met het blote oog te kunnen zien. Om deze reden verdient het de aanbeveling om de bovengrond ter plekke van een loopgraaf met redan en een redoute niet af te graven.