Er wordt een bouwput van circa 40 x 60 m voor een parkeerkelder uitgegraven, ivm de bouw van de woontoren "Wijnhaeve". Vermoed wordt dat een deel van het bodemarchief mbt de geschiedenis van Rotterdam( 16e-19e eeuw) en haar prestedelijke voorganger "Rotta"(10e-12e eeuw) nog in de bodem aanwezig is. Het archeologisch onderzoek moet vanwege de diepteligging van de belangrijke lagen in een damwandkuip plaats vinden. Het archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijkerwijs afgestemd met en geintegreerd in de werkzaamheden van de aannermer.In de periode 2 oktober 2006 tot en met 20 januari 2007 heeft het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam (BOOR) in opdracht van het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR) en NS-Vastgoed een archeologisch onderzoek verricht op de locatie ‘Wijnhaeve’, gelegen tussen de Blaak en de Wijnhaven in Rotterdam. Het plangebied bevindt zich gedeeltelijk in het tracé van het voormalige Willemsspoorviaduct en direct naast de huidige Willemsspoortunnel. Uit het onderzoek is gebleken dat binnen de begrenzing van de bouwput, en binnen de maximale ontgravingsdiepte van de bouwput (tot 2,35 m - NAP) geen resten van de Middeleeuwse nederzetting Rotte (10e-12e eeuw) aanwezig waren. Uit handboringen blijkt dat plaatselijk, vooral aan de noordkant van de onderzochte locatie, wel sporen (kuilen, sloten, palen) aanwezig kunnen zijn vanaf circa 4 m - NAP en dieper. In twee boringen is namelijk houtskool aangetroffen op het stratigrafisch juiste niveau. De locatie van de sporen is gebonden aan het restant van een onder de stadsophogingen bewaard gebleven, kleiige oeverzone van het riviertje de Rotte. In de diepere ondergrond (circa 6 m - NAP) zijn, eveneens aan de noordkant van de locatie, mogelijk bewoningssporen uit de Romeinse tijd aanwezig. Wat betreft de stadsperiode van Rotterdam (na circa 1270, toen de Rotte werd afgedamd) dateren de oudste bewoningssporen op de onderzoekslocatie uit de 15e eeuw. Voor die tijd lag het terrein in de uiterwaarden buiten de stad, tussen de stadsgracht Blaak en de Nieuwe Maas. Het deel van de uiterwaarden dicht langs Blaak en Oude Haven was in gebruik sinds de tweede helft van de 15e eeuw, onder meer voor de scheepsbouw. Vermoedelijk was het gebied sinds die tijd opgehoogd en voorzien van een ringdijkje. In de jaren zeventig van de 16e eeuw is men, mogelijk voortbordurend op het zuidelijk deel van de ringdijk, begonnen met het aanleggen van verdedigingswerken, ten zuiden van de scheepswerven aan de Blaak. Ongeveer ter plaatse van de latere Wijnstraat, binnen de onderzoekslocatie, kwam een wal te liggen, met ervoor een gracht. De verdedigingswerken waren geen lang leven beschoren, in verband met de voortgaande uitbreiding van de stad en de havens richting de Nieuwe Maas. In 1609 werd het terrein tussen de wal (Wijnstraat) en de te graven Wijnhaven verkaveld en verkocht voor de bouw van huizen en pakhuizen. De wal werd vermoedelijk uitgevlakt en gereserveerd voor de aanleg van de Wijnstraat. De scheepsbouw in het gebied moest, zo werd verordend, uiterlijk 1618 zijn verplaatst naar de nieuwe Scheepmakershaven. Opmerkelijk is dat er aanwijzingen zijn dat binnen de onderzoekslocatie op een dubbel erf, na de uitgifte van de erven door de stad in 1609 voor woningbouw, toch nog tenminste twee jaar een scheepshelling in gebruik is geweest en/of dat er, tenminste tot in de jaren dertig, aan de scheepsbouw verwante ambachten werden uitgeoefend zoals de zeilmakerij en de opslag en verwerking van teer. Een deel van een houten vloer die met de laatstgenoemde activiteiten in verband wordt gebracht, was in de bodem bewaard gebleven, onder de ophogingen die aan de woningbouw vooraf gingen. Het materiaal van de ophogingen was afkomstig van het uitgraven van de Wijnhaven. Het past in het bestaande historische beeld dat gedurende de 17e eeuw het oostelijk deel van het gebied tussen Blaak en Wijnhaven naast de handel ook sterk in het teken bleef staan van de scheepsbouw. Er woonden en werkten naast scheepstimmerlieden ook blokmakers, houtkopers en zeilmakers. In de 18e eeuw overheerste het handels- en rederijbedrijf. In de loop van de 19e eeuw vestigden zich er veel assurantie- en notariskantoren. Op de onderzoekslocatie was in de eerste helft van de 19e eeuw onder meer een postkantoor gevestigd. De aangetroffen funderingsresten van de (woon)bebouwing uit de 17e-19e eeuw zijn echter fragmentarisch. Het heeft onder meer te maken met de grote verstoringen in de bodem, ten gevolge van de bouw van het spoorwegviaduct circa 1870. Afgezien van enig muurwerk van funderingen en kelders zijn tevens enkele beerputten, beertonnen en bakstenen riolen aangetroffen. Een van de kelders was een zogenaamde “drijvende kelder”; het is voor het eerst dat een dergelijke kelder in Rotterdam bij archeologisch onderzoek is aangetroffen. Enkele van de beerputten zijn ingegraven in de Wijnstraat en de verbindingssteeg tussen Wijnstraat en Wijnhaven. De studies van de in deze structuren aangetroffen vondsten en etensresten geven enig inzicht in het consumptiepatroon en de status van de bewoners. De inhoud van één beerput leverde letterlijk vondsten uit de ‘Pruikentijd’ op. Het gaat hier om een set van ‘krullers’ voor het in model brengen van pruikhaar. Dat ten minste enkele van de gebruikers van de beerputten tot de geletterde klasse behoorden, kan worden afgeleid uit de vondst van een bril (monocle), fragmenten van lakzegels, fragmenten van een schrijflei en een deksel van een houten schrijfdoos.