De regio waarin de hofstede Vinkenburg is gelegen, het Kromme Rijn gebied, werd in de 13e eeuw nog geëxploiteerd volgens het hof- of domeinstelsel, dat zijn oorsprong kende in de Vroege Middeleeuwen. Doorgaans bestond het grondbezit uit een mengeling van wereldlijke heren (adel), kapittels, bisschoppen, kloosters en vrije boeren. Odijk, en ook het plangebied, behoorde in die tijd tot het domein van de bij Keulen gelegen abdij van Deutz. In die periode vonden er in West Nederland nog grootschalige ontginningen plaats. Niet alleen de landsheren trokken profijt van deze ontginningen. Ook edelen, de lage adel en de ministerialen (hoge ambtenaren in dienst van een vorst of bisschop) werden op deze wijze grondeigenaar en beschikten snel over voldoende middelen om bijvoorbeeld een kasteel te bouwen. De lage adel en de ministerialen waren minder vermogend en zij bouwden vooral (kleinere) woontorens.De hofstede Vinkenburg kenmerkte zich door een grachtensysteem, waarbinnen vermoedelijk een dergelijke woontoren een centrale rol heeft gespeeld. Dit grachtensysteem werd omstreeks 1275 aangelegd, waarmee feitelijk de eerste bewoning aanving. Niet onbelangrijk om te vermelden is dat dit vrijwel gelijktijdig plaats vond met de ontwikkeling van een naast gelegen eigendom, nu Het Burgje genoemd, dat in 1288 in handen van Willem van Odijk en zijn nazaten kwam. Het lijkt er vooralsnog op dat het hele gebied vrijwel gelijktijdig in gebruik is genomen. Op het zuidelijke erf zijn diverse spiekers aangetroffen die zijn gebruikt voor de opslag van de oogst. Aan het begin van de 14e eeuw verplaatst de spiekerzone zich naar het omgrachte erf ten noorden van de woontoren. Er zijn verschillende aanwijzingen dat het boerenbedrijf in de vroege fase vooral stoelde op zuivelproductie. Vanaf de 15e eeuw wijst het onderzoek echter op een verschuiving naar het verbouwen en verwerken van groenten en dan vooral erwten en peulen. Op basis van de gegevens die uit de bestudering van het vondstmateriaal en de botanische monsters moet geconcludeerd worden dat de vondsten beter passen in een beeld van pachters dan een ministeriaal. Omdat relatief weinig materiaal is aangetroffen en belangrijke gesloten contexten zoals beerputten ontbreken, is het echter goed mogelijk dat niet het gehele vondstenspectrum vertegenwoordigd is. Waar tevens rekening mee moet worden gehouden, is dat de woontoren wellicht slechts een beperkt deel van het jaar bewoond werd. De materiële neerslag wordt hierdoor ook beperkt.Eén van de belangrijke vragen is, of er een (bakstenen) woontoren heeft gestaan op de hofstede Vinkenburg. Van een bakstenen woontoren zelf zijn namelijk geen restanten aangetroffen, uitgezonderd een (klein) aantal bakstenen en dakleien in de woontorengracht. Wel is een verblauwing van de ondergrond waargenomen. Gezien de vlek een vierkanten vorm had, kan worden verondersteld dat dit de dimensies zijn van hetgeen dat de afdekking heeft veroorzaakt. Een (bakstenen) woontoren behoort tot de mogelijkheden. De aanwezigheid van een ruim 7 m brede gracht, waarin een brug met ophaalconstructie heeft gestaan versterkt de gedachte dat er wel een woontoren is geweest. In de loop van de 16e eeuw lijkt er een einde te komen aan zowel het gebruik van de woontoren, die dan wordt afgebroken en het grachtensysteem, dat vrijwel geheel wordt gedempt. Het einde van de woontoren en het grachtensysteem betekende niet het einde van de bewoning op dit eigendom.De volgende fase bestaat voornamelijk uit sporen uit de 17e eeuw, die zich op het noordelijke erf concentreren. Een klein bakstenen gebouw stond in de bocht van de oude gracht en een bakstenen waterput, een goot en diverse fragmenten van straatjes waren op de gedempte gracht gebouwd. Op de opgraving is materiaal aangetroffen dat dateert van na 1650, maar dat is dermate weinig dat de conclusie moet worden getrokken dat bewoning binnen het plangebied in de 17e eeuw lijkt te eindigen. Volgens een tweetal 18e-eeuwse historische kaarten heeft het plangebied binnen de grenzen van een kasteeltuin gelegen.