Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (16765.001) Ruurloseweg 101 te Vorden

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden (Laat)-Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Het plangebied ligt namelijk binnen de noordelijke flank van een dekzandrug en waarbij circa 100 meter ten noorden/noordoosten het lokale beekdal van de voorloper van de Windenberg Laak heeft gelegen. De dekzandrug vormde zowel voor Jager-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Middel-Neolithicum) als voor Landbouwers (vanaf het Laat-Neolithicum) een geschikte locatie voor het ontplooien van menselijke (bewonings)activiteiten. Een tweetal twee prospectieve onderzoeken uitgevoerd vrijwel direct ten noorden en zuidwesten van het plangebied hebben echter niet geleidt tot het aantreffen van archeologische resten. Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag. Gedurende de tweede helft van de 18e eeuw en de eerste helft van de 19e eeuw maakte het plangebied deel uit van een perceel akkerland. De bestaande R.K. St. Antonius van Paduakerk en andere bijgebouwen, aangeduid als historische structuren, zijn pas gebouwd in de tweede helft van de 19e eeuw dan wel later. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft geen aanwijzingen dat binnen de begrenzing van het plangebied historische bebouwing heeft gestaan.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) laten duidelijk zien dat er sprake is van een diepgaand verstoorde/vergraven bodemopbouw. Tot een variërende diepte van minimaal 45 tot maximaal 130 cm -mv komt een pakket humeus, sterk gevlekt zand voor. Deze gevlektheid is ook sterk aanwezig in de onderliggende lagen, waarin ook goed de vermengde brokken van de B-/BC-horizont van de oorspronkelijke podzolbodem met geel zand van de C-horizont en/of humeus zand zichtbaar zijn. Met het pakket humeus zand dat wellicht voorheen deel heeft uitgemaakt van een plaggendek, zal er sprake zijn geweest van een hoge enkeerdgrond, maar deze is geheel verstoord/vergraven. Waarschijnlijk gaat het om verstoringen veroorzaakt tijdens de realisatie van de aangrenzende bebouwing in de jaren ’30 van de 20e eeuw. De onverstoorde bodem, pas op een diepte van gemiddeld 140 cm -mv, betreft direct de C-horizont, in de vorm van dekzandafzettingen.

Op grond van deze bodemopbouw geldt vanuit de verkennende fase van het booronderzoek dat waarschijnlijk zowel het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau volledig zijn verstoord. In het pakket humeuze grond zijn alleen plaatselijk resten beton-/baksteenpuin en bij boring 2 resten plastic aangetroffen. Het betreft in de grond vermengd geraakt sloopafval en is niet archeologisch relevant. Er zijn verder geen archeologisch relevante indicatoren aangetroffen. Op basis van de karterende fase van het booronderzoek is er dan ook geen aanleiding om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een middelhoge verwachting gold voor de perioden (Laat)-Paleolithicum t/m Middeleeuwen en een lage verwachting voor de perioden Nieuwe tijd, kan dan ook worden bijgesteld naar geen verwachting.

Advies Op grond van de diep verstoorde/vergraven bodemopbouw binnen het gehele plangebied en het verder ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden (geen archeologische resten aangetroffen in het zeefresidu), adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/JEG6QL
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/JEG6QL
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy
Publication Year 2022
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 7569709
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem