Tussen 13 en 20 september 2004 werd er door BAAC bv een archeologische bouwbegeleiding uitgevoerd in het plangebied Mariëndael in opdracht van de gemeente Sint-Oedenrode. Hierbij werden vier werkputten aangelegd op het tracé van de geplande nieuwe weg nabij het nieuwe cultureel centrum. De totale oppervlakte die werd onderzocht op archeologische sporen bedroeg ongeveer 1.100 m². Enkel de uiterst noordelijke zone van put 2 kon niet volledig gedocumenteerd worden. Ook de westelijke sector van de geplande U-vormige put 3 (later opgesplitst in twee kleinere putten 3 en 4) werd niet onderzocht, omdat daar een moderne sloot lag.De gemiddelde diepte van de sleuven lag op ca. 80 cm onder het huidige maaiveld.Tijdens het onderzoek kwamen 73 grondsporen aan het licht en werden 52 artefacten verzameld. De meeste vondsten werden in het opgebrachte esdek aangetroffen. Dit esdek (enkeerdgrond) was op de meeste plaatsen nog intact met een gemiddelde dikte tussen 50 en 80 cm, behalve daar waar recente sloten de putten doorkruisten en in de sloopput van de oude huishoudschool.De grondsporen die werden aangesneden dateren grosso modo uit twee perioden, met name de Late Bronstijd of Vroege IJzertijd en de Nieuwe Tijd.De Oudste sporen konden alleen op basis van de kleur en samenstelling met enige voorzichtigheid aan de Late Bronstijd of Vroege IJzertijd worden toegeschreven. Deze toeschrijving is gebaseerd op de overeenkomst in kleur en textuur met sporen die tijdens de vorige begeleiding zijn aangetroffen. Deze sporen konden op basis van de plattegrond en het aangetroffen materiaal worden gedateerd. Het lijkt erop dat in dit gebied in de Late Bronstijd of Vroege IJzertijd een nederzetting heeft gelegen. Verder naar het westen is in het verleden een urnenveld aangetroffen die wellicht bij dezelfde fase hoort. Helaas konden tijdens de laatste begeleiding geen duidelijke structuren aan deze bewoningsfase worden toegeschreven. Evenmin is vondstmateriaal uit deze periode aangetroffen.Uit de nieuwe tijd dateren twee structuren. In put 1 werd een rij van 11 paalsporen blootgelegd die deel uitmaakten van een houten omheining daterend uit de late 19de of de eerste helft van de 20ste eeuw. Deze afsluiting verliep in oost-westelijke richting en vormde vermoedelijk de grens van een oude tuin of akker. In put 2 troffen we een standgreppel aan (met eventueel bijbehorende paalkuilen in de onmiddellijke nabijheid) als onderdeel van een houten gebouwtje uit de Nieuwe Tijd, ten vroegste daterend uit de 16de-17de eeuw. Deze constructie maakte vermoedelijk deel uit van de landerijen van een van de nabijgelegen kasteeltjes van Sint-Oedenrode.Aan de hand van de vooropgestelde vraagstellingen (zie hoofdstuk 4) kan een aantal conclusies getrokken worden : 1. Er zijn inderdaad grondsporen op het terrein aanwezig en de aard ervan werd hier boven beschreven. De staat van conservering van de sporen is over het algemeen goed, maar de gaafheid in horizontale en verticale zin is vrij slecht, gezien de hoge graad aan bioturbatie (mollengangen en wortels), de vermoedelijke opname van een aantal sporen in het esdek en tenslotte de vele recente verstoringen en bebouwing in de onmiddellijke omgeving.2. De spoordichtheid is middelmatig hoog en er zijn structuren herkenbaar (twee met zekerheid, twee minder duidelijk).3. Er zijn ook vondsten aanwezig, voornamelijk aardewerk en de staat van bewaring ervan is goed.4. De vondsttypen en -categorieën werden hierboven beschreven (hoofdstuk 6.2.).De vondstdichtheid is laag.5. Er zijn geen contexten met botanisch materiaal gevonden.6. Een vindplaatsbegrenzing op basis van de sporen is niet mogelijk, temeer omdat de aangetroffen structuren deels buiten de werkputten liggen.7. Er is een vage periodisering te herkennen in de structuren op de vindplaats, met name een fase behorend tot de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd (ca. 800-500 v.C.) en een fase behorend tot de Nieuwe Tijd (ca. 1500 tot heden), maar voor de eerste fase blijft dit onzeker.8. De vindplaats situeert zich op een overgangsgebied van de hogere dekzanden naar de lagere beekdalen (Dommeldal), een over het algemeen archeologisch interessante locatie met vrij hoge verwachting, temeer daar het esdek over grote delen van het terrein nog intact was.Te oordelen naar de natuurlijke grondsporen in het vlak ziet het er naar uit dat bepaalde delen van het terrein voor de vorming van het esdek bebost waren.9. In ieder geval dient bij toekomstige graafwerken op het terrein rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van nog meer grondsporen uit de IJzertijd en de Nieuwe Tijd, eventueel ook nog uit andere perioden. Het is sterk aan te bevelen dat bij iedere ingreep in de bodem in het plangebied Mariëndael de werken archeologisch begeleid worden. Een directe fysieke bescherming of opgraving lijkt hier niet nodig.10. Bij eventueel vervolgonderzoek is het niet nodig op te graven in verschillende vlakken, zoals blijkt uit de vorige opgraving, waar in iedere put slechts één vlak werd gedocumenteerd.Het valt evenwel niet uit te sluiten dat plaatselijk wel in meer vlakken gewerkt dient te worden, omwille van een complexere stratigrafie.- Specifieke of aanvullende vragen : 1. Er werden geen sporen gevonden die in verband kunnen gebracht worden met de hoeve 'Ten Veehuize'.2. Er werden geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van jachtkampjes uit de Steentijd.3. niet van toepassing 4. niet van toepassing 5. Indien de twee vrij onduidelijke clusters paalkuilen in put 2 werkelijk toebehoren aan twee huisplattegronden uit de (Vroege) IJzertijd, dan lijkt het er wel op dat de in 2003 aangetroffen nederzetting zich in westelijke richting voortzet.