Een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van boringen in het projectgebied Meerstad, fase 1 bij Ruischerbrug, gemeenten Groningen en Slochteren (Gr.)

DOI

Aanleiding tot onderhavig onderzoek vormt een grootschalige nieuwe stadsuitleg aan de oostzijde van de stad Groningen. Vanwege de dominante rol die water in het gebied gaat spelen, heeft het bestemmingsplan het toponiem 'Meerstad' gekregen.In 2002 heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in opdracht van de provincie Groningen en de gemeenten Groningen en Slochteren een integraal inventariserend cultuurhistorisch onderzoek verricht, bestaande uit een verkennend archeologisch onderzoek (quickscan) en een inventarisatie van de overige (zichtbare) cultuurhistorische elementen (Molema 2002). Uit dit onderzoek kwam naar voren dat zich in het gebied circa tachtig archeologische en/of cultuurhistorische vindplaatsen bevonden.Omdat op basis van dit onderzoek echter slechts een globaal beeld van de aanwezige vindplaatsen was verkregen, adviseerde RAAP tot vervolgonderzoek om meer inzicht te verkrijgen in de potentiele archeologische waarden van het gebied. Een vlakdekkende kartering door middel van een archeo-geologisch booronderzoek, aangevuld met een archeologische oppervlaktekartering vormt een goede manier om het gehele plangebied te scannen op de aanwezigheid van vindplaatsen.In opdracht van GEMM CV is de uitvoering van dit project toegekend aan Archaeological Research & Consultancy (ARC bv). Het ontwikkelingsproject wordt in drie fasen uitgevoerd.Deze rapportage beschrijft het onderzoek in de eerste fase van het ontwikkelingsproject. Dit onderzoek vond plaats tussen 21 november en 18 december 2006.Conclusie:In het vooronderzoek van RAAP (Molema 2002) worden in Fase 1 alleen twee historische boerderijplaatsen onderscheiden. Het hier gepresenteerde onderzoek heeft een groot aantal extra vindplaatsen aan het licht gebracht. Het betreffen zowel historische boerderijplaatsen als vindplaatsen van aardewerk uit de Late IJzertijd ? Romeinse Tijd, vroeg- en laatmiddeleeuws aardewerk, houtskool, alsmede kansrijke locaties voor vuursteenvindplaatsen.De aanwezigheid van de reeds bekende historische boerderijplaatsen is niet door het booronderzoek bevestigd. Dit is mogelijk veroorzaakt door de relatief grote boorafstanden en kleine boordiameter. Uit intern bureau onderzoek en uit de oppervlaktekartering blijkt dat er sprake is van een groot aantal historische boerderijplaatsen.Uit de zanddieptekaarten komen er verschillende locaties naar voren die een hoge potentie hebben om vuursteenvindplaatsen aan te treffen. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat in de boorkernen geen bewerkt en/of verbrand vuursteen is aangetroffen.Op diverse plaatsen zijn archeologische indicatoren aan het maaiveld aangetroffen. Er zijn dus archeologische vindplaatsen aanwezig. Door de relatief grote boorafstanden en kleine boordiameter is het moeilijk om kleine vindplaatsen af te bakenen. Vervolgonderzoek met een grotere boordichtheid, bijvoorbeeld 20 boringen per hectare, en een grote boordiameter (12 cm) waarbij de grond wordt bemonsterd en wordt gezeefd, zou hierover uitsluitsel kunnen geven. In enkele gevallen is het raadzaam om voor vervolgonderzoek over te gaan tot het aanleggen van proefsleuven. Een definitieve beslissing hierover ligt echter bij het bevoegd gezag.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-zrq-gvfz
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-zrq-gvfz
Provenance
Creator Roller, G.J. de; Mulder, S.; Vos, P.C.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor M Wansleeben; ARC bv
Publication Year 2009
Rights CC0 1.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/publicdomain/zero/1.0
OpenAccess true
Contact M Wansleeben (Universiteit Leiden)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf; text/xml
Size 38727157; 8768; 8500; 860; 9874
Version 1.0
Discipline Humanities