In opdracht van Keurslager Kamerling heeft ADC ArcheoProjecten een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Kerkstraat 26 in Bodegraven. In het plangebied zal een nieuwe worstenmakerij worden gebouwd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een aanvraag van een bouwvergunning en was noodzakelijk om te bepalen of bij de voorgenomen activiteiten de kans bestaat dat archeologische resten in de ondergrond worden aangetast.Op basis van het bureauonderzoek werden archeologische resten vanaf de IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen verwacht op of in de top van de bedding-, oever-, of restgeulafzettingen van de Oude Rijn stroomgordel. Deze oeverafzettingen werden binnen circa 100 cm -mv verwacht. In de bovenste 30 cm werden in de komafzettingen resten uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd verwacht.Teneinde deze verwachting te toetsen werd in het plangebied een booronderzoek uitgevoerd. Daartoe zijn drie boringen uitgevoerd, waarvan twee binnen 70 cm -mv zijn gestuit op ondoordringbaar materiaal.Eén boring is doorgezet tot 400 cm -mv. Onderin deze boring zijn beddingafzettingen van de Oude Rijn gevonden. Hierin zijn geen archeologische resten aangetroffen, noch worden deze verwacht.Boven de beddingafzettingen is van 355 cm -mv tot aan het maaiveld antropogeen opgebracht materiaal aangetroffen, bestaande uit diverse pakketten, die vermoedelijk is verschillende fasen zijn aangebracht. Het onderste en dus oudste pakket is getuige een scherf aardewerk waarschijnlijk in de 14e tot 17e eeuw aangebracht. Vanwege de grote diepte van het natuurlijke materiaal moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid, dat het plangebied gelegen is op de gedempte voormalige restgeul van de Oude Rijn. Gezien de ligging in de historische kern van Bodegraven, is het mogelijk dat in het antropogene pakket resten van kades en beschoeiingen uit de Late Middeleeuwen en/of de Nieuwe tijd aanwezig zijn. In het beddingzand, dat onder het antropogene pakket aangetroffen is, zijn geen resten te verwachten.Voor de realisatie van de voorgenomen bouw van een worstenmakerij zal de bodem met circa 1 meter worden opgehoogd met zand. Tevens zullen enkele palen in de grond worden geslagen. Vermoedelijk liggen de eventueel aanwezige archeologische resten in het antropogene dek zo diep, dat deze minimaal door de voorgenomen ingreep verstoord zullen worden. Voorts is het oppervlak van het te verstoren gebied zeer klein (50 m2) en is het plangebied niet met een graafmachine toegankelijk.Vanwege de geringe verstoring die de voorgenomen ingreep met zich meebrengt, adviseert ADC ArcheoProjecten om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet.
Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek