Een inventariserend archeologisch onderzoek door middel van een bureau-onderzoek en grondboringen voor een terrein aan de Haarstdiek bij Sleen, gemeente Coevorden (Dr.).

DOI

Het bureau-onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de bekende en te verwachten archeologische waarden van het terrein. Op basis van de verworven informatie is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld dat aangeeft dat er een hoge verwachting is archeologische overblijfselen aan te treffen, indien de bodem intact is en niet is verstoord door recente ploegactiviteiten.Het veldonderzoek heeft geen directe aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats aangetoond. Wel komt uit het bodemonderzoek naar voren dat in de noordelijke helft van het onderzoeksgebied bij de meeste boorpunten een restant van een podzolbodem aanwezig is. Bij de boorpunten 15, 24, 47 en 52 is de podzolbodem vrijwel intact. In andere punten zijn resten van de B-horizont van een podzolbodem gevonden, of resten van de overgang van de B- naar de C-horizont (BC). Er zijn geen archeologische indicatoren in de boornkernen aangetroffen.In een intacte podzolbodem op een hoge dekzandrug is er een hoge verwachting vindplaatsen uit de prehistorie aan te treffen. Vondsten gerelateerd aan zo’n vindplaats bevinden zich vooral bovenin de (podzol)bodem. Grondsporen, en dan vooral de dieper ingegraven sporen als paalkuilen, greppels, sloten, kuilen en dergelijke zullen zich daarentegen aftekenen op de overgang van de B- naar de Chorizont. De werkelijke top van de oude bodem (A-horizont) is vermoedelijk in de bouwvoor opgenomen. Het is echter zeer wel mogelijk dat rond de boorpunten met een E-horizont er resten van vindplaatsen kunnen worden aangetroffen. Conform de Richtlijnen voor archeologisch bureau- en veldonderzoek in de provincie Drenthe (versie 1.0, 21 maart 2006, opgesteld door het Drents Plateau) dient bij verstorende bodemingrepen hier nader onderzoek te worden uitgevoerd.In overleg met het bevoegd gezag, dr. W.A.B. van der Sanden, is bepaald dat nader onderzoek van het noordelijk deel van het onderzoeksterrein waar restanten van de podzolbodems zijn aangetroffen, dient te worden uitgevoerd. Dit nader onderzoek kan op twee manieren plaats vinden, en wel door megaboringen in een dichtheid van 20 boringen per hectare voor het betreffende terreindeel (ca. 6 ha) met grondmonstername om na zeven te worden onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren, of door middel van proefsleuven die 5–10 % van het betreffende terreindeel dienen te omvatten. De laatste methode geeft de beste mogelijkheid de archeologische kwaliteit van het terrein definitief vast te stellen. In het zuidelijk terreindeel zijn geen intacte podzolen aangetroffen. Dit houdt echter niet in dat er geen resten van diepere sporen uit het verleden (vanaf de nieuwe steentijd) kunnen worden aangetroffen. In overleg met de provinciaal archeoloog is tevens bepaald dat hier alleen verder onderzoek is te verrichten indien het onderzoek in het noordelijke gebied hiertoe aanleiding geeft.Gezien de grootte van het terrein dient voor aanvang van verder onderzoek een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld en te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag.

Date: 30-01-2006 (aanvang onderzoek)

Date: 2006

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/DANS-Z3C-KVAK
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/DANS-Z3C-KVAK
Provenance
Creator Buitenhuis, H.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor b.u.l.k. archeologie, import; ARC b.v.
Publication Year 2010
Rights CC0-1.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/publicdomain/zero/1.0
OpenAccess true
Contact b.u.l.k. archeologie, import (DANS)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf; text/xml
Size 4652709; 7390; 8193; 824; 4929
Version 1.0
Discipline Humanities