Gespecificeerde archeologische verwachting
Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied in een overgangszone ligt, van de oostelijk georiënteerde flanken van het stuwwallengebied van Nijmegen naar de verder naar het oosten toe lopende daluitspoelingswaaiers. Een belangrijk kenmerk voor Jagers-Verzamelaars ((Laat-)Paleolithicum - Midden-Neolithicum) was dat de mensen voornamelijk leefden van de jacht en het verzamelen van eetbare planten. Ten aanzien van deze aspecten vormden de overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntsituaties) de meest gunstige locaties voor (tijdelijke) bewoning. Het plangebied heeft een dergelijke ligging binnen een landschappelijke gradiëntzone.
Landbouwers stelden andere eisen aan zijn landschappelijke omgeving. De locatiekeuze werd in steeds belangrijkere mate bepaald door de mate waarin gronden geschikt waren voor de akkerbouw. In het plangebied is mogelijk sprake van lössleemhoudende zandgronden die waarschijnlijk afgedekt zijn met een plaggendek/oud bouwlanddek, op basis van het historisch gebruik. Leemrijke bodems zijn vruchtbaarder en minder stuifgevoelig en daarom aantrekkelijker voor (prehistorische) landbouwactiviteiten. Wel zijn deze gronden moeilijker te bewerken. Behalve bodemkundige factoren blijft de aanwezigheid van gradiënten in het landschap (droog naar nat, hoog naar laag, dicht bebost naar een open landschap) ook in de verschillende landbouwperioden (Neolithicum t/m Late-Middeleeuwen) een aantrekkelijke voorwaarde voor de vestiging van nederzettingen. Vooral langs het beekdal van De Groesbeek, maar ook dichtbij het plangebied, zijn archeologische vindplaatsen aangetroffen daterend vanaf de IJzertijd. Het betreffen niet alleen sporen van bewoningsactiviteiten (nederzettingscomplexen/huisplaatsen/erven), maar ook restanten van grafvelden behorend tot de Nederrijnse Grafheuvelcultuur.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat het plangebied langdurig een agrarisch gebruik heeft gekend, als akkerland. Vanaf september 1944 is Groesbeek onderhevig geweest aan gevechtshandelingen tijdens Operatie Market Garden. Het plangebied ligt circa 300 meter ten westen van waar (globaal) de frontlinie heeft gelegen in de maanden oktober en november 1944. Ook vrijwel direct ten oosten van het plangebied, aan de Kloosterstraat 44, zijn tijdens een proefsleuvenonderzoek naast een vindplaats uit de IJzertijd ook sporen van een Duitse munitiespoorlijn en een schuttersputje aangetroffen. De bestaande duplexwoningen (arbeiderswoningen) zijn in 1948 gebouwd, waarbij het plangebied verder gebruikt werd als woonpercelen (siertuinen, op het achtererf diverse schuurtjes/tuinhuisjes).
Op basis van bovenstaande uitgangspunten geldt een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Middeleeuwen. De aanwezigheid van een dik plaggendek zal gefungeerd hebben als beschermende laag, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk goed zijn geconserveerd. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft geen aanwijzingen dat het plangebied binnen een historisch erf heeft gelegen. Voor resten uit de Tweede Wereldoorlog is de verwachting wel hoog.
Conclusie en advies
Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Er geldt vooralsnog een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten/sporen uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag, uitgezonderd de hoge verwachting op resten uit de Tweede Wereldoorlog. Wellicht dat binnen (een gedeelte van) het plangebied, afgezien van het reeds bebouwde oppervlak, er al diverse moderne bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd, ten gevolge van de huidige inrichting de woonerven.
Daarom wordt geadviseerd om (in eerste instantie) een aanvullend onderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Gelijkmatig verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet, om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel (mate van intactheid dan wel moderne verstoring van de oorspronkelijke bodemopbouw). Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.