In opdracht van Tetratech heeft EARTH Integrated Archaeology in maart 2026 een archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd binnen plangebied Het Nieuwe Diep in Den Helder. Hier zijn grondverstorende werkzaamheden gepland ten behoeve van de aanleg van in- en uittredepunten voor drie gestuurde boringen, en mogelijk een gedeelte open ontgraving. Het plangebied ligt volgens de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaarten in zones met een algemene archeologische verwachting en verplicht archeologisch onderzoek bij
ingrepen die dieper gaan dan 3 m –mv en een oppervlakte hebben groter dan 500 m2. Voor de te onderzoeken gebieden geldt geen dubbelbestemming waarde archeologie en op basis van de geplande ingrepen zullen de vrijstellingsgrenzen niet worden overgeschreden. Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting en het bepalen van archeologische risico’s binnen het plangebied.
De basis van de bodemopbouw in het plangebied wordt gevormd door een pakket dekzand dat aan het eind van de laatste ijstijd is afgezet. Aan het begin van het Holoceen vormde zich als gevolg van het veranderde klimaat een veenmoeras op de top van de dekzandafzettingen. Als gevolg van de doorgaande zeespiegelstijging raakte het gebied binnen het bereik van de zee. Ter hoogte van het
noordelijke en oostelijke plangebied sneed zich een mariene geul diep in het landschap in, waarbij het veen en de top van het daaronder gelegen landschap erodeerden. Na sluiting van de kustlijn rond 2800 v.Chr. ontstond een nieuw veenmoeras. Het duurde tot na de Romeinse Tijd dat de zee opnieuw het land kon binnendringen, het nieuw gevormde veen erodeerde en mariene afzettingen
werden gevormd. Uiteindelijk ontstond een waddeneiland genaamd Huisduinen, waar al in de 8e eeuw n.Chr. een gelijknamig dorp aanwezig was. In de 15e eeuw ontstond Den Helder op dit waddeneiland, dat af en aan verbonden was met het vasteland. De drie plangebieden maken tot in de 19e eeuw deel uit van de Zuiderzee totdat dit gebied werd ingepolderd in het kader van de verdere fortificatie van Den Helder. Alleen in het zuidelijke deel van het gebied lijkt het Pleistocene oppervlak intact te zijn. Dit bevindt zich 550 cm onder het huidige maaiveld. In de top van het dekzand kunnen resten van bewoning voorkomen van kampementen van jagers en verzamelaarsgemeenschappen uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum. In het noordelijk en oostelijk deel van het plangebied lijkt dit volledig geërodeerd te zijn. In de top van de afzettingen van Wormer kunnen resten van bewoning voorkomen. Het gaat dan om tijdelijke kampementen uit het Midden- of Laat-Neolithicum. Verder is het mogelijk dat nabij het oppervlak resten worden aangetroffen die verband houden met het Fort
Oostoever.
Op basis van de landschappelijke situering / kenmerken en de aard van de geplande ingrepen, is de kans echter klein dat behoudswaardige archeologische waarden worden aangetroffen bij het ontgraven van de in- en uittredepunten. Derhalve adviseert EARTH om de drie deelgebieden vrij te geven voor de aanleg van de in- en uittredepunten. Het bovenstaande vormt een selectieadvies en op verzoek van opdrachtgever heeft EARTH op 7 april 2026 het advies en de rapportage ter toetsing en goedkeuring voorgelegd bij het Bevoegd Gezag, de
Gemeente Den Helder. Na verwerking van enkele opmerkingen van de adviseur archeologie van het bevoegd gezag is de rapportage / advies op 16 juni 2026 akkoord bevonden. Op basis van dit onderzoek zal de bevoegde overheid een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met het risico archeologie.
Wel blijft onverminderd van kracht dat men bij bodemverstorende activiteiten alert dient te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen). Bij het aantreffen van deze waarden dient men hiervan melding te maken bij de minister (in de praktijk de RCE) conform afdeling 19.2 van de Omgevingswet 2024.