Houten-Hofstad, gemeente Houten: IVO (geo-archeologisch onderzoek) + CD-Rom(in LiveLink).

DOI

In opdracht van Rotij Projecten B.V. en de gemeente Houten, en onder directievoering van Past2Present ArcheoLogic heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in december 2006 en januari 2007 een geo-archeologisch booronderzoek uitgevoerd op het wettelijk beschermde archeologische monument met CMA-code 39A-016, beter bekend als Houten-Hofstad, terrein 16. De doelstelling van onderhavig onderzoek was het verkrijgen van meer informatie om bij de inrichting van het gebied tot een voorzieningencluster, te komen tot een goede afweging tussen de archeologische waarden en de grondexploitatie. Hiertoe is het uiteraard van belang te weten wat deze archeologische waarden betreffen. In het plangebied zijn woningbouw en centrale voorzieningen gepland. Hoewel binnen het beschermde terrein sprake is van bewoningssporen uit de IJzertijd en Romeinse tijd, is nog geen inzicht in de plaatselijke paleogeografie, ruimtelijke verschillen in vondst- /spoordichtheden, verstoringen en functies (complextypen). Er bestaat een mogelijkheid dat zich in het grootste deel van het terrein een restgeul bevindt, met aan weerszijden oevers. Doel van het booronderzoek was: 1. de paleogeografische kenmerken van het onderzoeksgebied in kaart te brengen en de hypothese te toetsen of op het grootste deel van het monument een restgeul loopt dan wel een bewoonbare oeverzone aanwezig is; 2. de fysieke kwaliteit van het bodemarchief nader te bepalen; 3. de voor bebouwing relevante bodemeigenschappen in kaart te brengen. Bovenstaande doelstelling van het onderzoek is verwoord in een Programma van Eisen (Isarin en Müller, 2006) waarin de randvoorwaarden van het onderzoek zijn verwoord en waarin tevens de onderzoeksvragen van het onderzoek zijn opgenomen. Ter beantwoording van de onderzoeksvragen zijn in het gebied 137 boringen verdeeld over 16 raaien gezet. De boorafstand binnen de raaien bedraagt maximaal 20 m. Uit de boringen blijkt dat de paleogeografie van het gebied complexer is dan vooraf werd aangenomen. Er is niet sprake van één centrale restgeul, centraal in het gebied. Er lijken echter restgeulen uit minimaal 3 verschillende fasen aanwezig te zijn. In tegenstelling tot het beeld van een ‘normale’ meanderende rivier lijkt het rivierlandschap gevormd te zijn door plotselinge geulverplaatsingen en niet door geleidelijke stroomafwaartse plaatsing van de meanderbochten. Daarnaast blijken aan de westzijde van de meandergordel meerdere crevasse-geulen aanwezig te zijn. Doordat er plotselinge geulverleggingen plaats hebben gevonden, lijkt een groter deel van de aanwezige archeologische resten binnen de meandergordel bewaard te zijn gebleven. Dit blijkt onder meer uit de verspreiding van indicatoren en de aangetroffen archeologische lagen. Deze komen vrijwel in het gehele gebied voor en er lijkt geen sprake te zijn van concentraties aan archeologische resten op basis waarvan bijvoorbeeld huisplaatsen en dergelijke onderscheiden kunnen worden. Op basis van de resultaten van het booronderzoek lijken deze, met uitzondering van de restgeulen, overal aanwezig te kunnen zijn. Het booronderzoek heeft ook goede aanwijzingen opgeleverd voor een intact pre- historisch landschap ten westen van de meandergordel van de Houtense stroomgordel. In de oever en crevasse-afzettingen zijn archeologische lagen aangetroffen die vermoedelijk verband houden met bewoning uit de Bronstijd en/of IJzertijd. De aangetroffen bewoningsniveaus uit de Bronstijd direct ten westen van het plangebied maken het aannemelijk dat een deel van de archeologische lagen en indicatoren eveneens uit de Bronstijd dateren. Hiertoe zijn echter nog geen harde aanwijzingen (diagnostisch scherfmateriaal) aangetroffen. Uit onderhavig onderzoek en eerdere onderzoeken is gebleken dat het terrein zeker waardevolle archeologische resten bevat. Het plangebied vormt feitelijk een ideaal terrein om de relatie tussen fluviatiele activiteit en menselijke bewoning vanaf de Bronstijd en mogelijk al vanaf het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen te onderzoek (watermanagment door de tijd). Geadviseerd wordt om indien behoud in situ niet tot de mogelijkheden behoort, een wetenschappelijk onderzoekskader voor het terrein op te stellen. Met een dergelijke onderzoeksagenda kan gericht onderzoek ter beantwoording van de hierin opgenomen onderzoeksvragen worden uitgevoerd. Hoewel binnen het gebied zeker waardevolle archeologische resten aanwezig zijn, is nog onvoldoende duidelijk of de (nederzettings)resten uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen nog intact aanwezig zijn. Het booronderzoek lijkt hiertoe aanwijzingen te geven, maar dit dient nog wel met proefsleuven gecontroleerd te worden. Het kan zijn dat delen van het Romeinse en/of vroeg-middeleeuwse landschap door (sub)recent bodemgebruik aangetast of vernietigd zijn, waardoor de wetenschappelijke waarde van deze bewoningsresten naar beneden toe dient bijgesteld te worden. In de planvorming valt het gebied uiteen in 2 delen, te weten de boomgaard (aangeduid als castellumterrein) en het ten zuiden hiervan gelegen deel van het gebied. Op relatief korte termijn voorzien de plannen in de ontwikkeling van het castellum- terrein. Voor dit deel van het gebied wordt onderzoek door middel van een viertal proefsleuven geadviseerd ter beantwoording van in ieder geval de volgende onderzoeksvragen: - in hoeverre is het Romeinse c.q. vroeg-middeleeuwse landschap nog intact en bevinden zich hierin vanuit wetenschappelijk oogpunt waardevolle archeologische resten? - Wat is de datering van de verschillende geulen? - Wat is hun onderlinge relatie? De uitkomsten van dit proefsleuvenonderzoek kunnen mede bepalend zijn voor de intensiteit van het onderzoek naar deze jongere perioden in het zuidelijke deel van het terrein. Aangezien ten westen van de meandergordel een intact prehistorisch landschap aanwezig is, waar behoudenswaardige prehistorische bewoningsresten verwacht worden, wordt geadviseerd dit als geheel te waarderen. Als methode voor het waarderend onderzoek in deze zone lijkt een combinatie van gericht booronderzoek en proefsleuven het meest geschikt. Hiermee kan het landschap goed in kaart worden gebracht en kan gericht gezocht worden naar de naar verwachting aanwezige bewoningsresten.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-zb4-wx3c
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-zb4-wx3c
Provenance
Creator B. Jansen
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor m verbruggen; RAAP Archeologisch Adviesbureau
Publication Year 2020
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact m verbruggen (RAAP)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 9505; 9690; 1240; 3213; 99617; 979327
Version 1.0
Discipline Humanities