BAAC heeft voorafgaand aan de aanleg van de Rondweg N303 een inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (karterende fase) uitgevoerd in de deelgebieden West 1 en West 2 te Voorthuizen. Ter plaatse van het tracé is eerder een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, waarbij ter hoogte van West 1 en West 2 een drietal mesolithische sporen werd aangetroffen. Naar aanleiding van deze bevindingen is besloten tot een karterend booronderzoek om eventueel aanwezige vuursteenconcentraties en andere grondsporen binnen het onderzoeksgebied te lokaliseren. West 1 bevindt zich ter hoogte van een lage dekzandrug en bestaat uit twee kuilen met een tussenafstand van circa 100 m, waarvan één in het vroeg- of midden-mesolithicum is gedateerd. West 2 bevindt zich op de zuidflank van een hoge dekzandrug en bestaat uit een haardkuil en een fragment vuursteen. De haardkuil is in het midden-mesolithicum gedateerd.Voorafgaand aan het booronderzoek is de bovengrond machinaal verwijderd. Uit het karterend booronderzoek blijkt dat ter plaatse van deelgebied West 1 velden haarpodzolgronden in dekzand voorkomen. Indicatoren voor een haardkuil zijn niet aangetroffen. Verspreid zijn spikkkels houtskool waargenomen, mogelijk een grondspoor en is een fragment mogelijk bewerkt verhit vuursteen gevonden. Aanwijzingen voor bewoning uit het neolithicum of later zijn ter hoogte van West 1 niet aangetroffen. De aanwezigheid van mesolithische grondsporen, zoals gebleken uit het vooronderzoek, wijst op activiteiten, de aard hiervan is niet duidelijk. Het ontbreken van vuursteenspreidingen in de nabijheid van mesolithische grondsporen is een bekend archeologisch fenomeen.Mesolithische grondsporen komen voor in combinatie mét vuursteenspreidingen maar ook zonder. Kennelijk is in West 1 en 2 sprake van dit tweede type mesolithische vindplaats.De bodemopbouw ter plaatse van deelgebied West 2 wijkt evident af in vergelijking met West 1. Podzolprofielen zijn hier niet aangetroffen. Het meest voorkomende profiel betreft een Aa-horizont (plaggendek) op een dekzandrug, waarvan de basis doorgaans is uitgeloogd (AE-horizont) en geleidelijk overgaat in een BC-horizont en vervolgens de C-horizont.In zowel de AE, -BC als in de top van de C-horizont zijn archeologische resten in de vorm van onder meer aardewerk en verbrande leem aangetroffen. Daarnaast is in het merendeel van de boringen in deelgebied West 2 houtskool aangetroffen.De vondst van indicatoren als verbrande leem, aardewerk en houtskool duidt op een nederzetting in of in de directe nabijheid van het plangebied. Sporen van een dergelijke nederzetting zijn te verwachten tussen 15,1 en 14,6 m +NAP en zullen zich buiten het nu onderzochte deelgebied West 2 voortzetten. Het gevonden aardewerk duidt op grondgebruik vanaf het neolithicum. Verdere aanwijzingen voor menselijke activiteit in het mesolithicum zijn niet aangetroffen ondanks dat een aantal boringen nabij de vindplaats van een haardkuil zijn gezet. Kennelijk is ook in dit deel van het onderzoeksgebied sprake van een mesolithische vindplaats zonder vondstspreiding. Belangrijk is om deze mesolithische vindplaatsen niet in een vacuüm te bekijken en de direct omliggende bodem op verschillende niveaus bij de analyse te betrekken.Nader onderzoek naar vuursteenconcentraties wordt niet noodzakelijk geacht.Geadviseerd wordt om niet over te gaan tot een zeefonderzoek binnen het onderzoeksgebied. In een eerder stadium is reeds door de bevoegde overheid besloten om deelgebied West 1 en West 2 conform het Programma van Eisen vlakgewijs op te graven ten behoeve van een nader onderzoek naar de mesolithische haardkuilen. In deelgebied West 2 bestaat tevens een grote kans op het aantreffen van resten van een nederzettingssterrein uit het neolithicum en later.NOTA BENE Bij de opgraving die in januari 2019 is uitgevoerd op vindplaats West 2 zijn behalve mesolithische haardkuilen ook vuursteenbewerkingsplaatsen aangetroffen. Op vindplaats West 1 zijn enkele mesolithische grondsporen en vuurstenen gevonden. De aanname uit het karterende booronderzoek blijkt met betrekking tot de vuursteenconcentraties derhalve onjuist. Hiervoor is als verklaring aan te voeren dat de dekkingsgraad van boringen te laag was. De vuursteenbewerkingsplaats meet ongeveer 6 x 6 m en voor de opsporing van dergelijke clusters is het boorgrid te grof gebleken. Het was wel geschikt voor het karteren van de laat-prehistorische en jongere vindplaatsen. Een grid van 2 x 3 was voor de mesolithische vindplaats beter geschikt en daarmee zijn ook subclusters en kernconcentraties te karteren. Desondanks zijn drie boringen in het grid uitgezet in wat later de randzone van de bewerkingsplaats bleek te zijn; een kwestie van pech. Die zone bleek na opgraving vondstarm te zijn en de zeefvakken van 50 x 50 cm omvang daar hebben slechts drie vuurstenen per vak opgeleverd. Het is daarmee niet vreemd dat in de smalle boorkolommen in totaal slechts één vuursteenafslag was gevonden. Die ene vondst had echter aanleiding moeten zijn om het boorgrid te verdichten, waarmee de kern had kunnen worden opgespoord.Een kritische evaluatie van de methodiek van opsporing wordt gegeven in de eindrapportage van de opgraving, onder onderzoeksmeldingsnummer 4658176100.