Proefsleuvenonderzoek Nijkerk De Brink / Torenstraat / Holkerstraat Proefsleuvenonderzoek aan de De Brink / Torenstraat / Holkerstraat te Nijkerk in de gemeente Nijkerk

Resultaten en conclusie proefsleuvenonderzoek Het onderzoek laat zien dat in ieder geval binnen het parkeerterrein er sprake is geweest van een agrarische (pre-stedelijke) gebruiksen bewoningsfase. Aangetroffen sporen betreffen paalkuilen, kuilen en greppels en mogelijk een waterput. Vanuit de profielen blijkt dat bewoningssporen ingesneden liggen in een beakkeringslaag, wat dus aangeeft dat het plangebied voor enige tijd een gebruik kende als akkerland, met vermoedelijk in de direct omgeving bewoning die uiteindelijk ook binnen het plangebied plaatsvond (agrarische nederzetting met verplaatsende boerenerven/verschuivende bewoningsfasen). Waar mogelijk is een selectie van deze sporen gecoupeerd, maar was praktisch gezien veelal onuitvoerbaar door bewerkte werkruimte (werkput 3 waar centraal over de lengteas nog betonfunderingen aanwezig waren) dan wel door snel opkwellend grondwater. Een gezette coupe van een paalspoor heeft wel een fragment Siegburg steengoed opgeleverd, welke dateert uit de 14e of 15e eeuw. De eerste agrarische (pre-stedelijke) bewoningsfa-se/oudste aangetroffen bewoningssporen dateren dus wellicht uit deze periode en daarmee ten tijde van de LateMiddeleeuwen. Ook de datering van meerdere vondsten uit de bovenliggende stadsophogingslagen uit de tweede helft van de 16e eeuw en vooral de 17e eeuw wijst erop dat dat er pre-stedelijke bewoningsactiviteiten hebben plaatsgevonden gedurende de 14e/15e/eerste helft van de 16e eeuw. Mogelijk gaat het om een clustering van boerenerven/een agrarische nederzetting, als voorgaande fase voordat het plangebied deel ging uitmaken van de dorps- en navolgende stadskern van Nijkerk. Het wordt verder vrij reëel geacht om binnen het gehele plangebied sporen te verwachten van deze agrarische gebruiks- en bewoningsfase. Onder de oudste aangetroffen beakkeringslaag is van de van nature gevormde veldpodzolbodem veelal niet meer over dan een restant van de BC-horizont. In zuidelijke richting zijn nog wel delen aanwezig waar nog een dun restant van de Bhe-horizont is aangetroffen, in de richting van de hogere delen van het oorspronkelijke dekzandlandschap. Boven de beakkeringslaag is een opeenstapeling aanwezig van humusrijke ophogingslagen (stadsophogingpakket). Vondstmateriaal geeft aan dat deze opstapeling vanaf de 16e tot begin 20e eeuw heeft plaatsgevonden, in een periode dat er eerst sprake was van een vestingstad tot circa 1600 en daarna een bloeiperiode kende, waarbij de stad in oppervlakte sterk uitbreide. Ook al zal het aanbrengen van het stadsophogingspakket stapsgewijs hebben plaatsgevonden, er kan, op basis van het op verschillende dieptes binnen het stadsophogingspakket aangetroffen vondstmateriaal, enige fasering worden aangebracht, met het onderste deel gedurende de 16e/17e eeuw, het middelste deel gedurende de 18e en (eerste helft van de) 19e eeuw en het bovenste deel gedurende de (tweede helft van de) 19e en het begin van de 20e eeuw. In werkput 3, in het centrale deel van het parkeerterrein, zijn sporen van een houtbouwfase aangetroffen. Op grond van de afmeting van de aangetroffen oostelijke buitenzijde gaat het waarschijnlijk om een bijgebouw. Een afwisseling van donkergrijs gekleurd humeus fijn zand met lichtgrijs tot lichtgrijswit gekleurd iets grover zand binnen de begrenzing van de buitenste paalsporen duiden op regelmatig nieuw aangelegde vloerniveaus. Indien dit bijgebouw op het achterterrein van een erf wordt gestaan, mag verwacht wordt dat dit erf, dan wel meerdere eerste erven, langs de voorloper van de Holkerstraat lagen (welke direct langs de zuidelijke begrenzing van het plangebied loopt). Ter plaatse van de woonhuizen kan er nog van worden uitgegaan dat dit steenbouw betrof. Dit zou overeenkomen met het beeld van het ontstaan van de eerste woonerven langs de noordzijde van de voorloper van de Holkerstraat rond 1600 (zie afbeelding 7), waarbij in het centraal-zuidelijke deel van het plangebied op schematische wijze bebouwing is aangegeven.   Een groot deel van het parkeerterrein zal gedurende de periode vanaf de tweede helft van de 16e eeuw tot aan het begin van de 19e eeuw waarschijnlijk vooral zijn gebruikt als tuin/moestuin binnen achterterreinen van woonerven, waarbij gedurende deze periode stapsgewijze ophoging heeft plaatsgevonden (aanvoer van humusrijke, fijnzandige ophogingslagen). De proefsleuven op afstand van het historisch wegenpatroon (op afstand van de weg Brink/Torenstraat/Holkerstraat) hebben vrij weinig bewoningssporen opgeleverd binnen het stadsophogingspakket (deze moeten dan ook meer gezocht worden direct langs het historisch wegenpatroon). In het meest noordelijke deel van het plangebied is een zeer humeuze, venig zandige vulling aangetroffen, dat tevens rijks is aan organisch materiaal (veel wortels, houtresten, plantaardig materiaal) en waarin ook van verschillende categorieën vondstmateriaal is aangetroffen. Aangetroffen aardewerk geeft een datering in de tweede helft van de 17e tot eerste helft van de 18e eeuw. De hogere concentratie van weggegooid afval in een laag met veel organisch materiaal ondersteund tevens de aanname dat de insteek van de demping van een omvangrijke greppel of gracht is aangetroffen. In vergelijking met het geschetste kaartbeeld van de veste Nijkerk uit 1609 (zie afbeelding 7) heeft een deel van de noordelijke loop van de gracht een iets meer zuidelijke ligging gehad, gedeeltelijk binnen de meest noordelijke strook van het plangebied. Tot de maximale aanlegdiepte van 1,5 m - mv (vanwege grondwater) heeft de vermoedelijk aangesneden top van de grachtvulling/- demping aardewerk opgeleverd met een datering in de tweede helft van de 17e tot eerste helft van de 18e eeuw. Er kan zeker niet worden uitgesloten dat dieper (en daarmee onder het huidige grondwaterniveau), oudere grachtvullingen aanwezig zijn (uit de periode 1400- 1600). De vermoedelijke insteek van de stadsgracht is ook aangetroffen in een klein werkputje in de noordwesthoek van het plangebied, waarmee duidelijk wordt dat de vesting-/stadsgracht meer een afbuiging in westzuidwestelijke richting heeft gehad in het uiterst noordwestelijke deel van het plangebied en zal lopen onder de bebouwing gelegen aan de Brink 26/26a en 28 en het noordelijke deel van de toegangsweg tot het parkeerterrein. Dit komt tevens beter overeen met het geschetste kaartbeeld van de veste Nijkerk uit 1609 (zie afbeelding 7), ondanks de deels gesimplificeerde weergave van de stadskern van Nijkerk (met woonerven getekend als niet meer dan vierkantvormige percelen, terwijl belangrijke gebouwen zijn uitvergroot, zoals de Grote Kerk vrijwel direct ten oosten/zuidoosten van het plangebied). Enkele uitbraaksleuven in de middengedeelte en bovengedeelte van het pakket stadsophogingsla-gen duiden op steenbouwfases gedurende de 18e en 19e eeuw. Mogelijk gaat het om restanten van stenen bijgebouwen die hebben behoord tot de woonerven, waarvan de hoofgebouwen/woningen direct langs het oude wegenpatroon hebben gelegen. Restanten van met handgevormde bakstenen opgetrokken muurwerk/funderingen zijn aangetroffen in de werkputten meest nabij het huidige straatpatroon langs de noord-, oost- en zuidzijde van het plangebied. Qua ligging vertoond de aangetroffen muurwerk-/funderingsrestanten goede overeenkomsten met bebouwing weergegeven op de Kadastrale Minuut uit 1811-1832 (zie afbeelding 8). Restanten van steenbouwfases uit de 18e en 19e eeuw kunnen dan ook worden aangetroffen ter plaatse van die delen van de (woon)percelen grenzend aan de wegen Brink, Holkerstraat en Torenstraat. Het voornamelijk aangetroffen gebruiksaardewerk, dateert uit de Late-Middeleeuwen (beperkt aantal) en verder uit de Nieuwe tijd. Het aardewerk uit de Late-Middeleeuwen is voornamelijk aangetroffen in de verschillende stadsophogingslagen en kunnen van een externe locatie afkomstig zijn. Het aardewerk uit de Nieuwe tijd is divers en bestaat uit steengoed met oppervlaktebehandeling, roodbakkend en witbakkend aardewerk, majolica, faience, Aziatisch en Europees porselein en industrieel wit aardewerk uit Engeland en Maastricht. Het steengoed met oppervlaktebehandeling is vooral afkomstig uit het Westerwald en bestaat uit tafelwaar en potvormen, bedoeld voor de opslag van voedsel of vloeistoffen. Het roodbakkend aardewerk is met name aangevoerd vanuit West-Nederland (Gouda en Noord-Holland), Bergen op Zoom en Friesland en bestaat voornamelijk uit potvormen bedoeld als keukenwaar en tafelwaar. Het goedkope roodbakkende aardewerk uit de regio Nederrijn, bestaande uit keukenwaar en tafel-waar, is in geringe mate aangeschaft en gebruikt. Onder het witbakkende aardewerk zijn alleen fragmenten gevonden van potvormen gebruikt als keukenwaar en tafelwaar en zijn geproduceerd in Nederland, niet in Duitsland, België of Frankrijk. De luxere tafelwaar bestaat uit majolica en faience borden en kannen en is allemaal afkomstig van pottenbakkerscentra uit Nederland. Onder het faience is ook een deel van een fraaie plooischotel aanwezig. Het Aziatische en Europese porselein is in geringe mate aanwezig en bestaat geheel uit tafelwaar. Het goedkopere industriële aardewerk uit Engeland en Maastricht is ruim voor handen geweest op de locatie. In dit witte industriële aardewerk zijn vooral borden aangeschaft, naast andere tafelwaar als kommen, koppen en lekschalen. Voor het gebruik van pruimtabak is een kwispedoor gebruikt en voor de sanitaire behoeften verschillende pispotten. Het overige vondstmateriaal bestaat uit delen van kleipijpen uit de 17e tot 19e eeuw, onder meer geproduceerd in Gouda en Schoonhoven. Het grofkeramische bouwmateriaal bevat naast fragmenten ook complete objecten. Hierbij gaat het om geelbakkende IJsselstenen, roodbakkende bakstenen, roodbakkende golfpannen, roodbakkende vloertegels en witbakkende met tinglazuur afgewerkte wandtegels. Het grofkeramische bouwmateriaal dateert in de 17e tot 19e eeuw. Glas is maar in zeer geringe mate aangetroffen, waarbij het vooral gaat om delen van groen gekleurde vormgeblazen flessen en dateren in de 17e tot 19e eeuw. Een kleurloze vormgeblazen parfumfles en medicijnfles dateert uit de 19e eeuw. Ook natuursteen is in zeer geringe mate aangetroffen. Hierbij gaat het om een fragment daklei en een onbewerkte natuursteen. Dat er ook vlees is geconsumeerd valt af te lezen aan het dierlijke bot, zoals fragmenten van rund en varken met slachtsporen, afkomstig uit contexten dateerbaar in de 17e tot 19e eeuw. Het metaal is met name gevonden bij de aanleg van het twee vlakniveau en zijn te relateren aan de hier aanwezige grachtvulling/- demping uit de tweede helft van de 17e tot eerste helft van de 18e eeuw. Het metaal bestaat uit een messing ring, een klein radertje en een loden musketkogel. Uit andere werkputten zijn een cent uit 1823 uit de regeringsperiode van koning Willem I en een mesheft van dierlijk bot (zonder lemet) uit de 18e eeuw. Restanten van een Joods reinigingsbad (Mikwe) is in de meest noordelijk aangelegde werkput (van beperkte omvang) niet aangetroffen. Ten behoeve van een mogelijk grotere benodigde ruimte voor een mikwe is eerder de verwachting dat deze aanwezig is geweest binnen een groter pand (woonhuis met aanbouw), welke op een naoorlogse foto genomen vanaf de Grote Kerk nog zichtbaar is. De verwachting om restanten van de mikwe aan te treffen dient dan ook te worden gehandhaafd. Op grond van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek wordt geconcludeerd dat er in ieder geval al drie archeologische vlakniveaus kunnen worden aangeduid: 14e t/m eerste helft 16e eeuw, agrarische nederzettingsfase met akkerterreinen en mogelijk in het uiterst noordelijke deel van het plangebied een deel van de loop van de stadsgracht, 17e/18e eeuwse houtbouw (van bijgebouwen die op het achterterrein van woonpercelen stonden) met demping van de stadsgracht (in het uiterst noordelijke deel van het plangebied) en navolgend 18e/19e eeuwse steenbouw van bebouwing die ook veelal op historisch kaartmateriaal terug te herleiden is. 17e/18e eeuwse steenbouw van hoofdgebouwen/woningen kunnen echter ook nog worden verwacht ter plaatse van die delen van bestaande en bebouwde (woon)percelen grenzend aan de wegen Brink, Holkerstraat en Torenstraat (waar de aanleg van proefsleuven logischerwijs niet mogelijk was). Het vooral in het stadsophogingspakket en afvalkuilen aangetroffen gebruiksaardewerk is voornamelijk afkomstig is uit pottenbakkerscentra in WestNederland, West-Brabant, Friesland, Maastricht en Engeland. Een enkele plooischotel uit Frank¬¬rijk kan als luxe object worden beschouwd. De grotere aanvoer en aanbod van producten uit het noorden en westen van ons land en Engeland heeft mogelijk te maken met de verbreding van de Arkergraft in 1720 tot een vaart (circa 300 meter ten noorden van het plangebied), waarbij een betere rechtstreekse verbinding ontstond tussen Nijkerk en de Zuiderzee. Opvallend is de geringe hoeveelheid majolica, porselein en het roodbakkende aardewerk uit de regio Nederrijn. Dat het duurdere porselein minder lijkt aangeschaft, kan te maken hebben met de prijs van dit type gebruiksgoed, hoewel het de stad en de inwoners in de 17e en 18e eeuw voor de wind ging als gevolg van de tabaksnijverheid. Het relatief geringe aandeel roodbakkende aardewerk uit de regio Nederrijn, dat als een goedkoop product kan worden beschouwd in de 18e en 19e eeuw, heeft waarschijnlijk te maken met het ruime aanbod van producten uit het westen en noorden van ons land. Wat het aandeel majolica betreft is de datering van het aardewerk van belang. Dit type aardewerk was met name populair gedurende de 16e en 17e eeuw en werd in de 18e eeuw al snel verdrongen door het goedkopere faience. Het merendeel van het aangetroffen gebruiksaardewerk dateert in de 18e en 19e eeuw en minder in de 17e eeuw. Het overige vondstmateriaal, zoals het grofkeramische bouwmateriaal, glas, natuursteen, dierlijk botmateriaal en het metaal zijn vondsten die goed passen in het beeld van andere een stedelijke samenleving op/langs de noordelijke Veluwe in de 17e tot 19e eeuw. Uit de waardering volgens door de KNA voorgeschreven wijze blijkt dat de vindplaats die is aangetroffen behoudenswaardig is. In zijn algemeenheid is sprake van stadskernarcheologie en dieper gelegen sporen van een agrarische (pre-stedelijke) gebruiks- en bewoningsfase, mogelijk van een agrarische nederzetting. Ten aanzien van stadskernarcheologie hebben de proefsleuven restanten van muurwerk/funderingen van bebouwing opgeleverd welke ook zichtbaar is op de Kadastrale Minuut uit 1811-1832 (zie afbeelding 8), sporen van een houtbouwfase van een bijgebouw, uitbraak-sleuven van mogelijk stenen bijgebouwen en de vermoedelijke insteek van de stadsgracht. Advies De hoge waardering van de vindplaats leidt tot een selectieadvies: behoudenswaardig. Het selectie-advies is daarom dan ook om de vindplaats in situ te behouden. Indien dit niet mogelijk is moet de vindplaats doormiddel van een opgraving ex situ worden veilig gesteld.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-27u-vszp
PID https://nbn-resolving.org/urn:nbn:nl:ui:13-uu-jhaw
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:326254
Provenance
Creator ten Broeke, E
Publisher Econsultancy BV
Contributor Gelderland; Econsultancy BV
Publication Year 2024
Rights info:eu-repo/semantics/openAccess; DANS License; https://dans.knaw.nl/en/about/organisation-and-policy/legal-information/DANSLicence.pdf
OpenAccess true
Representation
Language Dutch; Flemish
Resource Type Dataset
Format portable document format; jpeg; esri shapefile dbasetable; esri shapefile; esri shapefile index; extensible markup language; comma separated values; standard vector graphics
Discipline Ancient Cultures; Archaeology; Humanities
Spatial Coverage (5.482 LON, 52.223 LAT); Gelderland; Nijkerk; Nijkerk; De Brink / Torenstraat / Holkerstraat; 32E (kaartblad)