Grensmaaslocaties Borgharen en Itteren Behoud en onderzoek van archeologische waarden in het Maasdal in het kader van de Maaswerken GM 04 Borgharen GM 05 Borgharen Pasestraat GM 06 Itteren

In 1998 heeft RAAP in opdracht van Rijkswaterstaat, De Maaswerken, een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI) uitgevoerd in het Grensmaasgebied. Fase 1 omvatte bureauonderzoek en orienterend veldonderzoek van gebieden met hoge archeologische potentie die tevens door ingrepen (vergravingen) worden bedreigd. Fase 2 omvatte verkennend geoarcheologisch booronderzoek en kartering. Naar aanleiding van de resultaten van het AAI werden de vindplaatsen in 2003 door Becker en Van de Graaf aan een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) onderworpen. Het deelgebied Borgharen Pasestraat is onderzocht door de Gemeente Maastricht. Paleo-ecologisch onderzoek is uitgevoerd door TNO-NITG.

-

GM04 Borgharen Langs de huidige Maas bevindt zich een strook waar een pakket jonge rivierklei is gevormd. Hier zijn bij de veldverkenning geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen aangetroffen. Voorzover zich in dit pakket archeologische vondsten bevinden, gaat het om verspoeld materiaal. Ten oosten van de strook jong klei bestaat de ondergrond voornamelijk uit grind en oude rivierklei, plaatselijk overdekt door jonge rivierklei. In totaal zijn hier vier vindplaatsen ontdekt, allen op of in de top van de oude rivierklei. Het IVO toonde aan, dat sites vooral op de hoger gelegen grindruggen te verwachten zijn. Er zijn in totaal elf sites en off-site verschijnselen gedefinieerd. In het westelijk deelgebied werd op de grindrug bij de Maas een nederzettingsterrein aangetroffen met bewoningsresten van de Late Bronstijd tot en met de Late IJzertijd. Vooral de Midden-IJzertijd is daarbij sterk vertegenwoordigd. Midden in het nederzettingsterrein zijn resten van enkele vrijwel geheel verploegde graven uit de eerste eeuw na Chr. Gevonden. In het centrale deelgebied zijn twee kuilen uit de Late Bronstijd aangetroffen, waarvan een zeer vondstrijk is. De sporen horen mogelijk tot een nederzetting die zich op de grindrug van de Pasestraat ten oosten van de sporen zou kunnen bevinden. In het zuidelijkste kijkgat van het centrale deelgebied werd een greppel met Romeins vondstmateriaal aangesneden. In het oostelijk deelgebied werden enkele kuilen uit de Vroege IJzertijd gevonden. De opvallendste vondst was een rijk Merovingisch wapengraf uit de vijfde eeuw na Chr. De metalen vondsten waren matig, het skelet slecht geconserveerd. Het graf ligt 200 meter van de 6e-eeuwse graven van GM05 vandaan, op de oever van een restgeul. Aan de zuidelijke rand van het plangebied werd een 6e- eeuwse gesp als losse vondst aangetroffen. De samenhang tussen de verschillende Merovingische (graf-)vondsten is nog onduidelijk. Aan de oostelijke rand van het plangebied aan de Spekstraat werden twee kleine oventjes aangetroffen, die in de 18e eeuw dateren. Het IVO leverde veel nieuwe gegevens over de ondergrond en het ontstaan van het landschap en de bewoningsgeschiedenis in het plangebied. Het lijkt dat door de vele actieve en zich verlandende geulen bewoning minder aantrekkelijk was tot na het Neolithicum. Er zijn geen directe aanwijzingen voor activiteiten voor de Late Bronstijd gevonden. Het IVO heeft aangetoond dat van de Late Bronstijd tot in de Vroege Middeleeuwen zich menselijke activiteiten in het plangebied hebben afgespeeld. Bewoning bleek zich te beperken tot de resten van de grindruggen uit het Weichselien. Door de daling van de grondwaterstanden en daarmee de verlaging van de oxidatiezone in de bodem is het overgrote deel van het organisch materiaal uit de sporen verdwenen. Ook de conservering van botmateriaal en metaal is slecht. De archeologische resten worden ernstig bedreigd door akkerbouw. Binnen het plangebied zijn nu meerdere nederzettingen uit de Late Bronstijd en de IJzertijd bekend. Het gaat om een groter nederzettingsgebied waarbinnen enkele gemeenschappen woonden (‘Streusiedlung’, Simons 1989) of om een enkele gemeenschap, waarvan de individuele gezinnen om de generatie een nieuw erf inrichtten (‘zwervende erven’, Schinkel 1994). Omdat de dateringsmogelijkheden van het aardewerk te onnauwkeurig zijn is het niet aan te tonen dat er een continue bewoning heeft plaatsgevonden. In de Romeinse tijd lijkt de grindrug bij de Maas niet meer voor bewoning gebruikt te zijn, maar nog wel als grafveld. Bewoning vond nu iets verder weg van de Maas plaats (GM05). Voor de vroege Middeleeuwen zijn alleen graven bekend, hoewel het niet onmogelijk is, dat binnen de ruïne van de Romeinse villa van vindplaats 6 ook vroegmiddeleeuwse bewoning heeft plaatsgevonden. Na de Vroege Middeleeuwen is het gebied op incidenten na alleen nog voor de land- en tuinbouw gebruikt.

-

GM05 Borgharen Pasestraat Op het terrein zijn in het verleden diverse vondsten gedaan van overwegend metaalvondsten uit de Romeinse tijd, Merovingische periode en de subrecente periode. De Romeinse sporen betreffen een villacomplex. Eerder onderzoek heeft plaatsgevonden in 1995 (idem door gemeentelijke archeologische dienst Maastricht). Daarbij werd een badgebouw aangesneden; dit badgebouw is nu opgegraven. Mogelijk is het hoofdgebouw van het villacomplex verloren gegaan bij werkzaamheden in de jaren 1970. Bij de oppervlaktekarting werden twee Romeinse concentraties aangetroffen. De grootste valt samen met het badgebouw. Wellicht werden in de Romeinse tijd in het lagere deel van het terrein ambachtelijke activiteiten ontplooid, terwijl het hogere deel bewoond werd. Er zijn negen Merovingische begravingen geborgen. De skeletresten verkeren in een slechte staat. Aanduiding voor sporen van bewoning in de Merovingische tijd ontbreken geheel en sporen voor het gebruik van het terrein in de eeuwen daarna zijn afwezig. Het gehele terrein is verstoord als gevolg van erosie en ploegwerkzaamheden.

-

GM06 Itteren Het terrein is onderverdeeld in de deelgebieden Itteren-Voulwames en Itteren-Emmaus. Bij het prospectief onderzoek werden vier vindplaatsen ontdekt. Gezien de ouderdom van de afzettingen in het plangebied kunnen er geen archeologische sporen uit het Paleolithicum voorkomen, maar in theorie kunnen wel sporen uit het hele Holoceen, dus vanaf het Mesolithicum aanwezig zijn. Het holocene landschap is grotendeels goed bewaard gebleven onder de jongere afzettingen. De oudste sporen die bij het IVO aangetroffen zijn dateren echter uit de Late Bronstijd en liggen, evenals de jongere sites, in of op de oude, door lichte, grofsiltige lemen begraven bodem. De aangetroffen sites liggen vooral op de hoge delen in het landschap, die voor bewoning aantrekkelijk waren. In het deelgebied Voulwames zijn bij het IVO drie vindplaatsen geconstateerd, waarvan de belangrijkste in de Late Bronstijd en waarschijnlijk IJzertijd dateert (Voulwames 1). De aard van de site is niet met zekerheid vast te stellen. Het gaat om enkele kuilen en twee greppels die over een vrij groot oppervlak verspreid liggen. Bij vindplaats Voulwames 2 gaat het om enkele brandkuilen, die mogelijk voor de productie van houtskool gebruikt zijn. De vondstloze kuilen zijn in de late IJzertijd gedateerd. Een 20e eeuwse veldoven voor bakstenen is als vindplaats Voulwames 3 gedefinieerd. In het plangebied Emmaus zijn twee sites uit de IJzertijd aangetroffen: een grafveld met enkele crematiegraven (Emmaus 2) en een vierkant greppelsysteem, waarvan de precieze functie onbekend is (Emmaus 1). Onder vindplaats Emmaus 3 is een concentratie (sub-) recente greppels en wegen samengevat. Van de prehistorische sites is de precieze omvang niet vast te stellen, omdat ze niet overeenkwamen met de RAAP-vindplaatsen en derhalve de locatiekeuze van de sleuven niet op deze sites was afgestemd. Het greppelsysteem uit de IJzertijd lijkt weliswaar vrij compleet vrijgelegd te zijn, maar het is niet ondenkbaar, dat het systeem uitgebreider was. Organische resten zijn in beide plangebieden niet geconserveerd. Behalve in het vondstrijke crematiegraf 73 is botmateriaal nauwelijks aangetroffen. Vuursteen is ook slechts in geringe mate gevonden. Het prehistorische aardewerk, dat slechts in enkele sporen in ruime hoeveelheden werd aangetroffen, is goed geconserveerd. Het fysisch-geografische onderzoek van het IVO heeft veel nieuwe gegevens over de ondergrond en het ontstaan van het landschap opgeleverd. De aangetroffen archeologische sporen liggen op hoge of middelhoge terreindelen op het niveau van de oude, begraven bodem. In de laagste delen van het plangebied, de restgeulen, kwam plaatselijk tot minstens de IJzertijd open water voor. Hier zijn geen sporen aangetroffen. Er zouden echter op een dieper niveau sporen aanwezig kunnen zijn, die met activiteiten aan of op het water te maken hebben. Het archeologische onderzoek toonde aan, dat de RAAP-vindplaatsen 51 en 54 geen archeologische oorsprong hebben. Vindplaats 53 staat mogelijk in verband met het IJzertijd grafveld, dat op enige afstand aangetroffen werd. De interpretatie van vindplaats 52 is van een vermoedelijk grafveld in een vermoedelijke nederzetting veranderd. In het algemeen kan geconcludeerd worden, dat het plangebied niet intensief gebruikt is. Bovendien is het aantal sporen per site zeer gering. Het is niet met zekerheid te zeggen of dit door een extensief karakter van de sites wordt veroorzaakt of door de erosie van sporen.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-xks-9uv5
PID https://nbn-resolving.org/urn:nbn:nl:ui:13-py1-bou
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:33836
Provenance
Creator Projectteam Archeologie Maaswerken; Becker en Van de Graaf; RAAP Archeologisch Adviesbureau; Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (TNO-NITG); Lohof, E. (RAAP Archeologisch Adviesbureau); Graaf, W.S. van de (Becker en Van de Graaf); Kramer, J. de (Becker en Van de Graaf); Polman, S.P. (RAAP Archeologisch Adviesbureau); Rensink, E. (RAAP Archeologisch Adviesbureau); Hulst, R.A.; Bunnik, F.P.M. (Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (TNO-NITG)); Quadflieg, B. (Projectteam Archeologie Maaswerken); Soeters, G. (Projectteam Archeologie Maaswerken); Simons, A. (Projectteam Archeologie Maaswerken)
Publisher Becker en Van de Graaf RAAP Archeologisch Adviesbureau Gemeente Maastricht Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (TNO-NITG)
Contributor Vleugels-Hubner, P.M.L. (RAAP); Geraeds, J.J.G. (RAAP); Crombé, P. (BeVdG); Devriendt, I. (BeVdG); Dijk, J. van (BeVdG); Dijkman, W. (BeVdG); Haaster, H. van (BeVdG); Kars, H. (BeVdG); Kempkens, J. (BeVdG); Lenting, K. (BeVdG); Panhuijsen, R. (BeVdG); Rucker, J. (BeVdG); Delaruelle, S. (BeVdG); Smits, L. (BeVdG); Grooth, M. de (PTA); Gotje, W. (PTA); Becker en Van de Graaf; RAAP Archeologisch Adviesbureau; Projectteam Archeologie Maaswerken; Gemeente Maastricht; Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (TNO-NITG)
Publication Year 2009
Rights info:eu-repo/semantics/openAccess; License: http://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0; http://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
OpenAccess true
Representation
Language Dutch; Flemish
Resource Type Dataset
Format application/pdf; application/rtf; application/msword; text/plain; image/jpeg; image/tiff; image/gif; arcgis / shp; dbase / dbf; autocad / dwg en dxf; access / mdb; outlook / msg; excel / xls; image / png
Discipline Ancient Cultures; Archaeology; Humanities
Spatial Coverage (5.689 LON, 50.884 LAT); Daalderveld; Pasestraat; Op de Stein; Borgharen; Voulwames; Emmaus; Itteren; Gemeente Maastricht; Gemeente Meerssen; Limburg