Onderzoeksgebied Waterpartij Park Jan Cornelis Polder te Rhoon, gemeente Albrandswaard; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend en karterend booronderzoek)

In opdracht van de gemeente Albrandswaard heeft RAAP in augustus-september 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (verkennend en karterend booronderzoek) uitgevoerd voor het onderzoeksgebied Waterpartij Park Jan Cornelis Polder te Rhoon in de gemeente Albrandswaard. Het onderzoek vond plaats in het kader van een omgevingsvergunningaanvraag. Ter plaatse van het onderzoeksgebied zal een waterpartij worden aangelegd met een omvang van circa 700 m2. De maximale ontgravingsdiepte bij deze werkzaamheden bedraagt, naar wordt aangenomen, circa 2 m –mv. In het kader van de voorgenomen ingrepen heeft Archeologie Rotterdam (BOOR) een Programma van Eisen (PvE) opgesteld (Moree, 2021; bijlage 3). Conform het opgestelde PvE zijn in het onderzoeksgebied 6 verkennende boringen uitgevoerd. Deze boringen zijn grotendeels in één boorraai gezet met een onderlinge boorafstand van circa 20 m. Op basis van de resultaten van de verkennende boringen is, in telefonisch overleg met de heer Moree , besloten om 2 aanvullende karterende boringen uit te voeren om de aangetroffen geul- en oeverafzettingen nader in kaart te brengen en deze geomorfologische eenheden beter te begrenzen. Op basis van de uitgevoerde boringen zijn in het onderzoeksgebied lagen met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor de periode Romeinse tijd-late middeleeuwen (vóór 1373) aanwezig, in de vorm van ontkalkte en relatief goed gerijpte oeverafzettingen. Deze lagen bevinden zich direct onder een overstromingsdek en boven het Hollandveen. De oeverafzettingen bevinden zich in de meeste boringen, behalve boringen 3 en 6, vanaf 120-140 cm –mv (vanaf 2,28-2,63 m –NAP). Mogelijk is de top van de oever- (en geul-)afzettingen geërodeerd door de vorming van het overstromingsdek. In dit geval is sprake van een middelhoge archeologische verwacht ing. In het algemeen wordt de aanwezigheid van nederzettingen uit de Romeinse tijd en later, die zich naar verwachting voornamelijk in/op oeverafzettingen zullen bevinden, tijdens booronderzoek gekenmerkt door de aanwezigheid van een vondstrijke, vaak humeuze, cultuurlaag. Zulke lagen of archeologische indicatoren zijn tijdens het huidige onderzoek niet waargenomen. Mogelijk zijn zulke niveaus echter geërodeerd en kunnen, in dit geval, in het onderzoeksgebied wel dieper gegraven sporen aanwezig zijn. Kleine re (vondstarme) vindplaatsen, zoals grafvelden en sporen van landinrichting (bijvoorbeeld greppelsystemen), kunnen ook in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Daarnaast kunnen in de (kreek)geulafzettingen, die in het centrale deel van het onderzoeksgebied zijn aangetroffen (boringen 3, 4 en 6), vondsten uit ‘natte contexten’ worden gevonden, zoals rituele deposities, dammen en duikers, sporen van visserij en/of verspoeld vondstmateriaal. Voor de andere aangetroffen lagen binnen de maximale boordiepte (opgebrachte of verstoorde grond, relatief slappe komklei en (afgetopt) veen zonder sporen van veraarding) bestaat een lage archeologische verwachting voor sporen van intensief landgebruik, zoals bewoning of landbouw. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied mogelijk archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen ontgravingen tot maximaal circa 2 m - mv. Daarom wordt geadviseerd om, indien mogelijk en rekening houdend met een buffer van circa 20 cm, bodemingrepen tot 1 m –mv te beperken. Gezien de aard van de ingrepen (het aanleggen van een waterpartij), is deze beperking van de graafwerkzaamheden wellicht niet mogelijk. Indien deze planaanpassing niet mogelijk is, wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Om de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te verfijnen en de aanwezigheid van archeologische sporen of resten in de oever - en geulafzettingen te toetsen wordt aanbevolen een archeologisch proefsleuvenonderzoek (conform protocol IVO-P) uit te voeren. Op basis van het booronderzoek bevinden deze lagen zich vanaf circa 125 cm –mv en maximaal rond 210 cm –mv. Gezien de prospectiekenmerken, en met name het mogelijke vondstarme karakter van bijvoorbeeld grafvelden of sporen van landinrichting, is dit type onderzoek de geëigende methode voor vervolgonderzoek. Voorafgaand aan dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-z35-ykrn
PID https://nbn-resolving.org/urn:nbn:nl:ui:13-07-77ym
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:241720
Provenance
Creator Peeters, D (RAAP)
Publisher RAAP Archeologisch adviesbureau
Contributor RAAP Archeologisch adviesbureau
Publication Year 2022
Rights info:eu-repo/semantics/openAccess; License: http://creativecommons.org/licenses/by/4.0; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Representation
Language Dutch; Flemish
Resource Type Dataset
Format application/pdf; application/msword; .pdf; .xlsx
Discipline Ancient Cultures; Archaeology; Humanities
Spatial Coverage (4.427 LON, 51.854 LAT); Netherlands