Archeologisch vooronderzoek in het kader van de geplande aanleg van een warmtenet in Enschede- Noord, gemeente Enschede

DOI

Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor een plangebied in Enschede. De provincie Overijssel (Ennatuurlijk) is voor dit plangebied bezig met de voorbereiding (conditionering) van de aanleg van een warmtenet in Enschede vanaf de Stadshaard Roombeek (hoek Deurningerstraat – Beekstraat) met een aftakking in de Spechtstraat naar het winkelcentrum Deppenbroek via de Rijnstraat. Als alternatief wordt het tracé niet door de Rijnstraat aangelegd maar via de noordzijde van het winkelcentrum Deppenbroek. De leidingen van het warmtenet worden aangelegd in de woonkern van Enschede, hierbij zijn grondverzet (uitnemen en terugplaatsen) en werkzaamheden aan de verhardingsconstructie voorzien. Het warmtenet wordt grotendeels onder de bestaande weg, deels onder de stoep en deels in groenstroken aangelegd. De leidingen worden aangelegd in een open ontgraving, of door middel van gestuurde boringen. Het is echter nog niet duidelijk waar er gebruik zal worden gemaakt van een gestuurde boring. Het leidingtracé heeft een maximale breedte van 1,5 meter en een ontgravingsdiepte van maximaal 2 meter.

Uit het bureauonderzoek blijkt dat op basis van het landschap het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting heeft, vanwege de ligging op de westelijke flank van een noord-zuid lopende stuwwal. Extrapolatie van de bodemkaart maakt duidelijk dat zich binnen het plangebied veelal podzolgronden, al dan niet met een plaggendek, bevinden.

Op die locaties binnen het plangebied waar er aanwijzingen zijn voor langdurig gebruik als landbouwgrond geldt een hoge archeologische verwachting. Dit geldt voor de locaties waar een opgebracht plaggendek, een zogenaamde es, is vastgesteld of wordt verwacht, of die locaties waar de aanwezigheid van een historische hoeve is geconstateerd. In het noordelijke deel van het plangebied is op basis van het historisch-cartografisch onderzoek de aanwezigheid van twee laatmiddeleeuwse hoeves vastgesteld; ook zijn hier met zekerheid (intacte delen) van essen aangetroffen; dit geldt ook voor een klein deelgebied ter hoogte van de Koekoekstraat (zie afbeelding 2). Op deze es- en hoevelocaties is de archeologische verwachting hoog voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Mogelijk zijn er in de ondergrond nog resten of sporen aanwezig die verband houden met de aanwezigheid van twee laatmiddeleeuwse hoeves nabij. Daarbij moet worden gedacht aan greppels, afvalkuilen, waterputten, hooimijten, dierbegravingen, moestuinen etc. Voor andere delen van het plangebied geldt een middelhoge archeologische verwachting, omdat niet vast staat dat deze ook daadwerkelijk langdurig voor landbouwactiviteiten zijn gebruikt en/of dat er een es aanwezig is. Op deze locaties is de archeologische verwachting is daarom middelhoog voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met Nieuwe Tijd. De grens tussen een middelhoge en hoge archeologische verwachting is op basis van de beschikbare geomorfologische en bodemkundige gegevens moeilijk te trekken.

In algemene zin geldt dat door plaggenbemesting (enkeerdgrond) in of onder de es eventuele archeologische waarden goed beschermd kunnen zijn gebleven. Op deze locaties is de archeologische verwachting daarom hoog voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met Nieuwe Tijd. Archeologische resten worden verwacht in de eerdlaag (A-horizont) en in de top van het dekzand (oorspronkelijke C-horizont). Archeologische resten aangetroffen in de directe omgeving van het plangebied (zoals de vuursteenvindplaats A78) bestendigen deze hoge archeologische verwachting. In de top van het dekzand kunnen eventueel aanwezige archeologische resten daterend uit het Laat-Paleolithicum t/m de Vroege-Middeleeuwen verwacht in het begraven podzolprofiel. Eventueel aanwezige archeologische resten daterend uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht onderin het eerddek en de top van het dekzand. Archeologische sporen kunnen zich bevinden tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. In de gemeente Enschede kunnen de essen meer dan een meter dik zijn. Het archeologisch relevante niveau kan daarom tussen maaiveld en ongeveer 1,50 m-mv liggen (op basis van de maximale dikte van het esdek van 1+ m-mv; archeologische sporen kunnen zich bevinden tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont.). De kans bestaat dat de vondstenlaag is opgenomen onderin de eerdlaag; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen de eerdlaag en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. In het eerddek kunnen aardewerkfragmenten uit de IJzertijd en Romeinse tijd aanwezig zijn. Dit betreffen dus geen in situ archeologische resten, omdat deze van een andere locatie zijn meegevoerd ten tijde van het opbrengen van het eerddek (verstoorde context).

Er is echter een grote kans dat de ondergrond in delen van het plangebied verstoord is geraakt bij de aanleg van bestaande kabels en leidingen en/of de huidige weg/groenvoorziening. Het is onbekend waar en tot hoe diep. Hoewel de KLIC-melding een beeld geeft van verstoringen, is op basis van deze melding niet af te leiden tot welke diepte. Ook kunnen locaties waar nog geen kabels en leidingen liggen ook verstoord zijn geraakt. In algemene zin geldt bovendien dat het niet uit te sluiten is dat op een verstoorde locatie nog archeologische sporen of vondsten in de ondergrond aanwezig zijn. Met name voor de essen is dit het geval. Verstoringen die de basis van het esdek intact hebben gelaten, zullen ook de archeologische resten in de ondergrond daaronder niet hebben aangetast.

Om de archeologische verwachting te toetsen is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd door middel van verkennende boringen binnen een gedeelte van het plangebied met een hogere archeologische verwachting en weinig kans op verstoring door aangelegde kabels en leidingen. Tijdens het booronderzoek zijn in totaal 4 boringen gezet. In de ondergrond is verstoring en ophoging aangetroffen tot een diepte van 110 tot 145 centimeter beneden maaiveld. In een boring is echter een relatief intacte B-horizont aangetroffen. Daarom kunnen archeologische waarden niet worden uitgesloten.

Advies

Op basis van de aardwetenschappelijke waarden en op basis van de aangetroffen archeologische resten in de directe omgeving heeft het noordelijke deel plangebied, en een klein deelgebied ter hoogte van de Koekoekstraat, een hoge archeologische verwachting (zie afbeelding 15); de overige delen hebben een middelhoge archeologische verwachting. Deze hoge/middelhoge archeologische verwachting geldt vanaf het maaiveld tot 1,5 m-mv (gezien de verwachte maximale dikte van het esdek). Archeologische resten worden verwacht in de eerdlaag (A-horizont) en in de top van het dekzand (oorspronkelijke C-horizont). Door sub-recente activiteiten, met nam de aanleg van bestaande kabels en leidingen, kan de ondergrond in delen van het plangebied verstoord zijn geraakt. Het is echter onbekend waar en tot hoe diep, en of dit eventuele archeologische sporen of vondsten in de ondergrond heeft aangetast.

Gezien de geplande werkzaamheden adviseert Vestigia Cultuurhistorie & Archeologie het volgende:

  1. Het warmtenet wordt grotendeels onder de bestaande weg, deels onder de stoep en deels in groenstroken aangelegd. Dit zal gebeuren door een open ontgraving of door middel van gestuurde boringen. Het is echter nog niet duidelijk waar er gebruik zal worden gemaakt van een gestuurde boring. Ook is in de ondergrond binnen het plangebied is een wirwar aan kabels en leidingen aanwezig. Er dient daarom een nadere studie gemaakt door het bouwteam van het Waternet (Royal HaskoningDHV, Ennatuurlijk en de aannemer) van de bestaande verstoringen (kabels, leidingen, wegcunnet) en de diepteligging daarvan, en een nadere specificatie te worden gemaakt van de geplande vergravingen. Op basis hiervan wordt een kaart opgesteld waar vervolgonderzoek nodig is (zie opties hier beneden). Deze kaart wordt in het PVA voor een eventueel verkennend booronderzoek opgenomen, en (in een geupdate versie) in het PvE voor de uiteindelijke begeleiding onder protocol inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven – variant archeologische begeleiding. Het Plan van Aanpak voor een eventueel verkennend booronderzoek dient voorafgaand aan het veldwerk door het bevoegd gezag goedgekeurd te worden.

  2. In delen van het plangebied waar de leiding van het warmtenet door middel van boringen wordt aangelegd is geen vervolgonderzoek nodig, met uitzondering van de te graven in- en uittredepunten.

  3. Voor de locaties waar voor de aanleg van het warmtenet een open ontgraving nodig is en op basis van de KLIC-melding en de inventarisatie van bouwteam van het Waternet geen kabels en leidingen in de ondergrond liggen is een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. Hier is een relatief intact bodemprofiel aangetroffen in een boring. Binnen dit deel van het plangebied kunnen daarom archeologische waarden aanwezig zijn. Daarom dienen de werkzaamheden in uitvoeringsfase te worden begeleid onder protocol inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven – variant archeologische begeleiding. Ook kan er voor worden gekozen om in het kader van een snelle voortgang van project, en om de hinder voor de omgeving zo veel mogelijk te beperken, het booronderzoek over te slaan en in de uitvoeringsfase op deze locaties de graafwerkzaamheden te begeleiden onder protocol inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven – variant archeologische begeleiding.

  4. Voor de locaties waar voor de aanleg van het warmtenet een open ontgraving nodig is en geen booronderzoek kan worden uitgevoerd vanwege de aanwezigheid van kabels geldt het volgende: a. Waar deze aantoonbaar dieper liggen dan 1,5 m-mv is geen vervolgonderzoek nodig. b. In deelgebieden met een hoge archeologische verwachting (zie afbeelding 15), en de bestaande kabels en leidingen niet aantoonbaar dieper liggen dan 1,5 m-mv dienen de graafwerkzaamheden te worden begeleid onder protocol inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven – variant archeologische begeleiding; c. In de delen van het plangebied waarvoor een middelhoge of lage archeologische verwachting geldt en de bestaande kabels en leidingen niet aantoonbaar dieper liggen dan 1,5 m-mv dienen de graafwerkzaamheden passief te worden begeleid; hiervoor dient een werkprotocol archeologische toevalsvondsten te worden opgesteld.

Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Enschede, om op basis van dit rapport en het daarin geformuleerde advies een besluit te nemen ten aanzien van het voortzetten of beëindigen van het onderzoeksproces.

Ook nadat het archeologisch onderzoek is afgerond, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk om voorafgaande aan de werkzaamheden een werkprotocol toevalsvondsten op te stellen. De uitvoerder van het grondwerk wordt daarmee geïnstrueerd wat te doen bij een dergelijke vondst. Het is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Enschede, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Identifier
DOI http://dx.doi.org/doi:10.17026/dans-xnv-2hp3
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:178479
Provenance
Creator Satijn, O.P.N.
Publisher Data Archiving and Networked Services (DANS)
Contributor Vestigia
Publication Year 2020
Rights info:eu-repo/semantics/openAccess;License: http://creativecommons.org/publicdomain/zero/1.0
Contact Vestigia
Representation
Language Dutch
Resource Type Text
Format application/pdf
Discipline Archaeology
Spatial Coverage {" "}
Temporal Coverage {2020-07-13,2020-04-09,2020-07-13}