Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de verbreding van de sloot aan De Bosschen te Drunen, gemeente Heusden Ruimtelijk advies op basis van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende en karterende fase)

DOI

Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureauonderzoek verricht in het kader van de voorgenomen verbreding van de sloot ten westen van de weg “De Bosschen” in Drunen, gemeente Heusden (afbeelding 1, kaart 1). Voorafgaand aan de ontwikkelingen dient in kaart gebracht te worden of zich binnen het onderzoeksgebied behoudenswaardige archeologische resten (zouden kunnen) bevinden, die tegen de achtergrond van de bodemingrepen gevaar lopen.

Doel van het archeologisch bureauonderzoek was vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid. Hiertoe is eerst een bureauonderzoek verricht, waarbij voor het plangebied een specifiek archeologisch verwachtingsmodel is opgesteld. Vervolgens is een advies geformuleerd in het kader van de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ).

Uit het bureauonderzoek blijkt dat op basis van de verwachtte bodemopbouw het plangebied in de periode na de afzetting van het dekzand relatief hoog heeft gelegen, zodat er podzolisatie op gang kon komen. Daarna, vanaf het begin van het Holoceen (in archeologische periodisering: vanaf het begin van het Mesolithicum) is het plangebied gaan vernatten. Pas in de Middeleeuwen is het veen afgegraven en is het land in cultuur gebracht. Het plangebied kent daarom op basis van het landschap een hoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum, en voor de periode Middeleeuwen en Nieuwe Tijd.

De verwachting voor het Laat-Paleolithicum is lastig nader te specificeren aan de hand van het bureauonderzoek. Het gaat om kleine jachtkampjes van jager-verzamelaars met ondiepe sporen en vondsten. Indien bij de aanleg van het cultuurdek in het plangebied de podzolhorizont is opgenomen in het plaggendek is de kans klein dat er nog een vindplaats uit het Laat-Paleolithicum aanwezig is. De hoge archeologisch verwachting voor resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd op basis van het landschap betreft mogelijk woonplaatsen, boerderijen of erven, of activiteiten gerelateerd aan landbouw. Indicaties hiervoor zijn de eventuele aanwezigheid van een archeologische laag, vondsten van aardewerk, baksteen, bot, metaal, glas etc. Op basis van historische en cartografische gegevens zijn er echter geen nadere aanwijzingen dat dergelijke resten zich binnen het plangebied bevinden. De Bosschen komt als weg voor vanaf midden 19e eeuw. Er is hier dus geen sprake is van een historisch ontginningslint. Om deze reden wordt de archeologische verwachting voor de periode Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bijgesteld tot middelhoog: hoewel er op historische gronden geen aanwijzingen zijn voor gestructureerde ontginningen en bewoning, blijft er een archeologische verwachting bestaan voor losse boerderijen of archeologische resten van landbouwactiviteiten uit de periode Middeleeuwen en Nieuwe Tijd.

Uit het verkennend/karterend booronderzoek is echter gebleken dat de top van het dekzand verstoord is geraakt in de (sub)recente tijd. Hierbij zullen alle archeologische waarden verloren zijn gegaan. De archeologische verwachting voor het plangebied kan daarom worden bijgesteld naar laag voor alle periodes.

Advies

Gezien de aangetroffen bodemopbouw kan worden gesteld dat de kans op het aantreffen van een (intacte) archeologische vindplaats zeer klein is. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek is vast te stellen dat de archeologische verwachting laag is voor alle periodes.

Het bevoegd gezag, de gemeente Heusden, dient eerst over het advies in dit rapport een besluit te nemen. Wanneer het bevoegd gezag besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Heusden, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Identifier
DOI http://dx.doi.org/doi:10.17026/dans-xxk-feup
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:155956
Provenance
Creator Satijn, O.P.N.
Publisher Vestigia bv
Contributor Klooster, E. van der;Puijenbroek, F.P.J. van;Vestigia bv
Publication Year 2019
Rights info:eu-repo/semantics/restrictedAccess
Contact Klooster, E. van der;Puijenbroek, F.P.J. van;Vestigia bv
Representation
Language Dutch
Resource Type Dataset
Format application/pdf
Coverage
Discipline Not stated
Spatial Coverage {" "}
Temporal Coverage Begin 2018-10-11T11:59:59Z
Temporal Coverage End 2019-11-26T11:59:59Z